De schoolkeuzegids

Door: Eric Tiggeler

Ouders die een middelbare school moeten kiezen voor hun aanstaande puber, beleven een zenuwachtig laatste lagereschooljaar. Eerst ontvangen ze een Citotoetsuitslag. Daarin staat geen percentage (‘zoveel antwoorden had uw kind goed’), maar een percentiel. Wat is dat, een percentiel? Als je het op internet opzoekt, krijg je naast de taaie uitleg van toetsinstanties heel veel klachten te lezen van gefrustreerde ouders. Een percentielscore blijkt uit te drukken hoe de resultaten zich verhouden tot die van andere leerlingen. In haar ondoorgrondelijkheid is dat vast een heel verantwoorde methode, maar de communicatie eromheen schiet in elk geval treurig te kort.

Clichés onderscheiden bepaald niet

Als je uiteindelijk begrepen hebt op welk schooltype de percentielscore duidt, komt de vraag: welke school? Gelukkig is er de regionale scholengids, die beloftevol begint. ‘U kunt zich een goed beeld vormen van de verschillende manieren waarop scholen vorm geven aan het onderwijs en op grond daarvan een keuze maken die het beste bij uw kind past’. Een beetje opgezwollen verwoord, maar we bladeren hoopvol door. Jammer genoeg leidt een eerste vergelijking vooral tot veel overeenkomsten. Zoek maar eens naar een doorslaggevend verschil inbenadering tussen de school die ‘leerlingen in staat stelt te excelleren’en de school die wil ‘bereiken dat een leerling het beste uit zichzelf haalt’. Scholen jongleren in hun presentatie met combinaties van kennelijk onvermijdelijke clichés – waarbij ironisch genoeg ook de individuele benadering hoog scoort. Die uitwisselbaar geformuleerde uitgangspunten maken de keuze niet eenvoudiger.

Onvergelijkbare feiten, onvergelijkbare sferen

Misschien kunnen we dan ons oordeel baseren op de harde feiten? Zo is er een school die claimt dat de lessen 60 minuten duren, want dat is beter. Hoe lang duren de lessen op de andere scholen? Dat staat er niet. Een school heeft elk jaar cultuurprojecten. En de andere? Wordt niet vermeld.
Als we de scholen niet kunnen vergelijken op hun principes en niet op hun feitelijke aanpak, dan kunnen we uit hun teksten misschien iets proeven van het verschil in sfeer. Zo spreekt college A over de hoofden van de leerlingen heen: ‘Wij leren hen de betekenis van de leerinhoud te vertalen naar de steeds internationaler wordende samenleving.’ College B, zo mogelijk nog afstandelijker, ‘plaatst het opvoeden van leerlingen tot evenwichtige, competente adolescenten in een breed kader.’ Daarnaast klinkt college C stukken informeler: ‘Eerst krijg je de tijd om te wennen  aan de nieuwe school, je klas en de vakken. Elke maand organiseren we wat leuks voor de brugklassers.’ En: ‘Je kijkt gewoon je ogen uit!’ Dat klinkt vriendelijk en kindgericht, met die gezellige spreektaal en uitroeptekens.

Meer vragen dan antwoorden

Alleen … hoeveel helpt het ons verder? Weten we nu welke school een betere keuze is? Natuurlijk lijkt de school die onze dochter vriendelijk aanspreekt sympathieker dan de school die haar degradeert tot de derde persoon of onzichtbaar maakt in beleidsjargon. Maar misschien zegt dat verschil wel meer over de kwaliteit van de tekstschrijver dan over de school. Zo roept de keuzegids vooral veel vragen op. Aan informatie geen gebrek – maar het is de lukrake mix van informatie die elk van de zenders toevallig kwijt wilde. Deels inwisselbaar, deels onvergelijkbaar. Jammer, want het moet toch mogelijk zijn: een gids met onderling vergelijkbare informatieblokken in een format dat gebaseerd is op de belangrijkste criteria die ouders en kinderen hebben om een school te kiezen. Vraag me niet om het in een percentiel uit te drukken, maar dat de samenstellende scholen hier stukken beter zouden kunnen scoren staat wel vast.

Eric Tiggeler is tekstschrijver, schrijft taaladviesboeken en ontwikkelt communicatietrainingen voor het Taalcentrum-vu.
Zie ook www.schrijfgids.nl.

 


Bestel hier eerder verschenen nummers van Tekstblad.

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 5 van 2011