Meer mens in je teksten

Schrijfadvies Tekstblad Mark van BogaertZijn schrijfadviezen een keurslijf of bieden ze duidelijkheid over de mogelijkheden? Volgens Mark Van Bogaert worden schrijfadviezen te vaak verkrampt opgevolgd en toegepast. Maar het kan ook anders: schrijf zoals je praat en doe dat scanbaar, voor lezers met weinig tijd.

Door Mark van Bogaert.

 

Onlangs stuurde een klant van mij een korte e­mail rond om een van mijn schrijftrainingen te verkopen. Hierin stonden welgeteld 14 taal­, spel­ en tikfouten. Ik vroeg mijn klant of ik volgende keer zijn mailtjes vooraf zou mogen lezen. Hij reageerde wat gepikeerd: ‘Je taalkundige opmerkingen laten mij echt koud. In een tijdperk van Twitter en sms­taal vrees ik dat de taalpuristen een achterhoedegevecht leveren. Ik vind trouwens het woordbeeld Dialoog Methode sterker dan dialoogmethode.’

Die dialoogmethode is de kapstok waaraan ik mijn schrijftraining ophang. Ik heb nog even gereageerd dat ik de spelling ‘Dialoog Methode’ te Duits en te schreeuwerig vind en dus een forse overtreding van de dialoogmethode zelf. En het zijn en blijven natuurlijk ook drie dicteefouten in één woord. ‘Wat bij een deel van de doelgroep toch onprofessioneel overkomt’, probeerde ik nog.

Vrijheid, blijheid?

Zover staan we nu dus. Dat mensen onze schrijfadviezen zó erg een keurslijf vinden, dat ze ze liever helemaal overboord gooien. In de jaren tachtig van de vorige eeuw schreef ik mee aan schoolboeken Nederlands waarin schrijven meer een kwestie was van ‘vrijheid, blijheid’ dan van strenge regeltjes. Onvolledige zinnen, zinnen die beginnen met een voegwoord, alles mocht als het verhaal maar goed zat. Sinds de jaren negentig geef ik schrijftrainingen in bedrijven en organisaties en bots ik met de jaren meer op opmerkingen als: ‘Ja maar, zo hebben we dat toch niet op school geleerd’. Of: ‘Ja maar, dat is niet volgens de NBN­-norm’. Of: ‘Ja maar, voor die doelgroep moet dat toch formeler?’

NBN­-norm? Eén keer heb ik hem aan een A/B-­test onderworpen. Voor een bank stuurden we twee versies rond van een verkoopbrief: een versie in een scanbare, luchtige, overzichtelijke lay­out, en een versie ‘volgens de BIN­-norm* (zoals die norm toen nog heette). Na de responscijfers werd bij die bank met geen woord ooit nog over die afschuwelijk genormaliseerde BIN­-norm gerept.

Elke lezer is een mens

Of formeler? Ik ken ze niet hoor, de doelgroepen waarvoor ik formeler zou moeten schrijven. Elke lezer is een mens. Ooit schreef ik voor Kluwer Rechts wetenschappen tekst voor een mailing om notarissen wetboeken te verkopen. Ik had geschreven in dialoogstijl, in spreektaal, heel persoonlijk. De uitgever zei me: ‘Ho, ho Mark, dit is wel een mailing voor notarissen. En zo’n notaris, Mark, die zit hele dagen met zijn neus in grijze notariële akten. En in die akten staan zinnen van minstens 35 woorden. Moeilijke woorden ook. En jij komt hier met een stijl van vlotte jongens onder elkaar?’

Na wat discussie was hij het eens met een A/B-­test: er zijn nét genoeg Vlaamse notarissen om representatief te kunnen testen. De helft van de notarissen kreeg mijn brieftekst, en de andere helft een brief in een taal waarvan de uitgever vond dat die ‘aangepast was aan het verheven niveau der Belgische notarissen’. Drie weken daarna hebben ze hun notarissen ook maar mijn brief gestuurd om boeken te verkopen. Een notaris, een hoogleraar in de kernfysica of een boekhouder: allemaal zijn het mensen. En die voelen zich het meest aangesproken door andere mensen, op een zo menselijk mogelijke manier. Spreek in ongevraagde communicatie een notaris aan in aktetaal en hij is weg.

Toegegeven: ik kom er niet elke keer zo vlot mee weg. Toen ik teksten had geschreven voor de belangrijkste concurrent van Daikin, kreeg ik daar te horen: ‘Je schrijft in Daikin-stijl, Mark. Wij willen het graag wat wetenschappelijker, wat afstandelijker, wat onpersoonlijker.’ Dan weet ik: 1­0 voor Daikin.

Dit jaar schreef ik mee aan een ‘schrijfboek voor welzijnswerkers’. Ik stond versteld van de krampachtige schrijfregeltjes waarmee schrijfdocenten op sociale hogescholen soms komen aanzetten.

Neem nu het voegwoord als eerste woord van een zin. Dat is toch een krachtig accent? Ook in uw krant staan er vandaag sterke zinnen die beginnen met en, of, want. Als die beroepsjournalisten dat mogen? Of de Nobelprijswinnaars Literatuur die romans schreven: in al hun romans staan zinnen die beginnen met en. Maar – vooral jonge – schrijfdocenten leren hun studenten nog altijd dat dat niet mag. Dat een voegwoord dient om twee delen van één zin aan elkaar te voegen. Op de ANS baseren ze zich alvast niet voor die onzin, want van de ANS mag het natuurlijk wel. In de ANS staan zelfs mooie voorbeelden van zinnen die beginnen met een voegwoord. Of het taaladvies van Taalunieversum: ‘Ja, een zin mag beginnen met en. De tweede zin als nieuwe zin presenteren, zorgt ervoor dat het verband of de nieuwe zin zelf meer opvalt.’

‘Geen volzin!’

Of het schrijfadvies dat alle zinnen mededelende volzinnen moeten zijn. Ik heb ze gezien, de verhandeling waar de schrijfdocent bij een elliptische zin in het rood ‘Geen volzin!’ noteerde – overigens zelf ook niet echt een superieur voorbeeld van een volzin.

Onlangs had ik hier een discussie over met schrijfdocenten. Zelf – persoonlijk – vinden ze elliptische zinnen prima om af en toe een vlugge beweging te suggereren. Of een opgewekte, luchtige stemming. Maar om nu in een stijladvies uitdrukkelijk voor onvolledige zinnen te pleiten? Dat dubbele speelt ook een rol in die krampachtige schrijfadviezen. Al die taal­ en stijlboeken die toch liever op veilig spelen. En dan ‘pragmatisch’ kiezen voor het advies dat je volledige zinnen moet schrijven. Wussies! 

Ik ben een groot voorstander van hier en daar een onvolledig zinnetje tussendoor om lezers wakker te houden of om in een
tekst iets te accentueren. In mijn schrijftrainingen zit dus de schrijftip: kijk bij komma’s eens of je er een punt van kunt maken. En ja, soms is er dan een student die van ál zijn komma’s punten maakt. Maar meestal werkt het heel bevrijdend als mensen de oude regeltjes mogen loslaten. Misschien zelfs emanciperend. ‘Goh, mag het woord ik wél in mijn observatieverslag staan? Ja, waarom niet eigenlijk? Dat ik daar zelf nooit eerder opgekomen ben!’

Of: ‘Mag dat voltooid deelwoord in die bijzin vóór het werkwoord staan? Ik geloof dat hij het gedaan heeft?’ Zegt u dat thuis zo? Dan mag het in uw tekst ook, ja. Dat is zelfs doorgedrongen tot de Algemene Nederlandse Spraakkunst: ‘Het is een wijdverbreid misverstand dat achteraanplaatsing van het deelwoord beter zou zijn. (…) De gebruikelijkste volgorde in gesproken taal, is die met het deelwoord eerst.’ Dus schrijf ik ook niet ‘Ik geloof dat hij het heeft gedaan’ met het deelwoord stijf áchter het werkwoord. Het misverstand is niet alleen wijdverbreid, maar vooral een bron van schrijfkramp: het gevoel dat ik het anders moet schrijven dan ik het zeg.

Ik pleit voor schrijftips met positieve woorden. Waarin een toon overheerst van ‘probeer gerust eens’ in plaats van verboden die streng openen met nooit, niet of geen. Schrijftips met meer vraagtekens dan uitroeptekens, met meer groene dan rode balpen. Schrijftips waarin helder denken het uitgangspunt is voor helder schrijven.

Liever een goede indruk dan een goed verhaal?

Onlangs overkwam het me nog in een schrijftraining. Iemand schreef ‘reeds’, want twee zinnen hoger had er al ‘al’ gestaan. En ik zag het tussen overdreven veel haakjes in de schrijfcursus van een schrijfdocent: ‘Vervang leenwoorden door een Nederlands alternatief (tenzij je weet dat je er (een goede) indruk mee kunt maken bij je lezer.)’ Raken we daar de kern van schrijfadviezen die verkrampen? Liever een goede indruk maken dan goed communiceren?

En maak je met magniloquente, sesquipedale breedsprakigheid een slimmere indruk? Mooi niet dus: met overmatig ingewikkeld taalgebruik wordt uw boodschap minder overtuigend en beschouwt de lezer u als minder intelligent. Precies het omgekeerde van wat u wou bereiken. Of zoals Ludwig Wittgenstein al zei in zijn Tractatus Logico­-Philosophicus (1922): ‘Alles was sich aussprechen läßt, läßt sich klar aussprechen.’ (‘Al wat je kunt zeggen, kun je duidelijk zeggen.’)

Scanbaar schrijven

Natuurlijk sterven die verkrampende schrijfadviezen vanzelf wel uit. E­mail maakt de hele briefcultuur minder formeel. Internet leerde ons ook op papier veel scanbaarder te schrijven, in zapklare brokjes. Twitter en sms maken telegramstijl ook in andere media gewoner.

In mijn schrijftrainingen leg ik dus het accent op schrijven zoals je praat, en op scanbaar schrijven voor lezers met weinig tijd. Daar valt veel sneller veel meer communicatiewinst mee te halen dan met oubollige synoniemen zoeken voor een woord als ‘ook’. En het extra schrijfplezier levert voor de lezer nog extra leesplezier op, dat ook.

Schrijfadvies Tekstblad Mark van Bogaert

Abonnement of los nummer?

Wil je meer lezen over taal en communicatie? Neem dan een abonnement op Tekstblad of bestel een van onze losse nummers

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 4 van 2013