Hoe breng je structuur aan in een alinea?

14-04-2017

Structuur in een alinea kettingpatroon constant patroonIn een tekst is structuur hard nodig om te voorkomen dat je van de hak op de tak springt. Vaak besef je pas hoe belangrijk structuur in een alinea is als je een tekst leest waarin de structuur volledig ontbreekt. Maar hoe kun je zorgen voor structuur in een tekst? Begin daarvoor met structuur aanbrengen in een alinea. Wij bespreken een aantal principes die je hierbij kunnen helpen.

Kies een thema en formuleer een topiczin

Een alinea staat ook wel bekend als een thematische eenheid. Dat houdt in dat je in een alinea in principe één onderwerp behandelt. Het is gebruikelijk om dit onderwerp in de eerste zin, de zogenaamde topiczin, direct duidelijk te maken. In de rest van je alinea wijd je verder uit over dit onderwerp en voeg je informatie toe aan de topiczin. In de topiczin is het bovendien gebruikelijk om op basis van het links-rechtsprincipe de nieuwe informatie rechts in de zin te zetten. Op die positie in de topiczin zet je dus het onderwerp dat je gaat bespreken. Een voorbeeld is te zien in de volgende zin:

In deze scriptie komt de geschiedenis van dit verschijnsel aan bod.

Creëer structuur met een patroon

Vervolgens kun je voortborduren op de topiczin in de overige zinnen uit de alinea. Hiermee breng je structuur aan in de alinea. Volgens het boek Formuleren van Margreet Onrust, Arie Verhagen en Gerard Doeve zijn er twee patronen om structuur aan te brengen in een tekst: het kettingpatroon en het constante patroon.

Het kettingpatroon

Bij het kettingpatroon is er sprake van een keten tussen de informatie in zin 1 en de informatie in zin 2. Je zet steeds de nieuwe, belangrijke informatie achteraan in de zin en borduurt vervolgens voort op die informatie in de volgende zin. Het patroon is ook wel te omschrijven als A – B. B – C. C – D etc.

Een fictief voorbeeld hiervan is hieronder te zien.

Het proefschrift van Pieter Janssens is pas een paar maanden af. Een paar maanden geleden werd het uitgebracht met de titel ‘De zinsstructuur in het Vlaams’. Die titel is zowel op een harde als op een zachte kaft afgedrukt.

Het constante patroon

Bij een constant patroon werkt het iets anders. De zinnen sluiten in dit geval op elkaar aan doordat het thema in elke zin constant gehouden is. Je hebt het dus in elke zin over hetzelfde onderwerp en geeft daar informatie over. Je gebruikt dan bijvoorbeeld in de eerste zin een volledige naam (‘Het proefschrift van Pieter Janssens’) om vervolgens steeds terug te verwijzen naar dit thema met bijvoorbeeld ‘het proefschrift’ of ‘het’. Het constante patroon vergt dus meer creatief gebruik van lexicale middelen. Het patroon is A – B. A – C. A – D.

Hieronder is een fictief voorbeeld van het constante patroon te zien.

Het proefschrift van Pieter Janssens is pas een paar maanden af. Het proefschrift heeft de titel ‘De zinsstructuur in het Vlaams’. Het is uitgegeven als softcover- en hardcoverversie.

Afwisseling tussen beide patronen

In het boek Formuleren raden Onrust, Verhagen en Doeve aan om vooral niet een van beide patronen te veel te gebruiken. Het is volgens hen beter om de patronen af te wisselen. Het constante patroon kan een tekst namelijk eentonig maken en er zit vaak weinig ontwikkeling in een alinea met een constant patroon. Een alinea met alleen maar een kettingpatroon zou daarentegen juist lastig zijn om te volgen, omdat de lezer voortdurend van thema moet veranderen in zijn hoofd als hij de tekst leest. Daarom is het advies om beide patronen af te wisselen voor een goede structuur in een alinea.