Wanneer gebruik je 'dat' en wanneer gebruik je 'wat'?

02-05-2017

wanneer gebruik je dat of wat Steeds vaker hoor je Nederlanders dingen zeggen als ‘het feest wat gegeven is’. Dit soort constructies roepen regelmatig grote ergernis op onder taalpuristen. Het is ‘het feest dat’ roepen zij dan angstvallig uit. Maar hoe zit het nu eigenlijk echt volgens de Nederlandse taalregels? Wanneer is het ‘dat’ en wanneer is het ‘wat’?

Bepaald of onbepaald zelfstandig naamwoord

Volgens Jan Renkema is de keuze tussen de betrekkelijke voornaamwoorden ‘dat’ en ‘wat’ afhankelijk van de bepaaldheid van het zelfstandig naamwoord. Het woord ‘dat’ wordt gebruikt als je verwijst naar een bepaald zelfstandig naamwoord. Voor onbepaalde verwijzingen gebruik je daarentegen ‘wat’. Dit leidt bijvoorbeeld tot de volgende zinnen:

Het boek dat hij heeft gekocht, heeft een blauwe kaft.
Er is nog maar weinig over wat we kunnen vervoeren.

In de eerste zin is ‘het boek’ een bepaald object, dus verwijs je ernaar met ‘dat’. In de tweede zin is onduidelijk wat dat ‘weinig’ precies inhoudt, waardoor je hier het betrekkelijke voornaamwoord ‘wat’ hoort te gebruiken.

Twijfelgevallen

Soms is er volgens Renkema sprake van een twijfelgeval, omdat onduidelijk is of een woord bepaald is of niet. Hij spreekt in dit verband ook wel van schijnonbepaaldheid. Een voorbeeldzin is:
Hij zocht naar een petje en kocht het duurste dat er was.
In dit geval is er wel sprake van een hoedanigheid vanwege de overtreffende trap, maar is ook duidelijk dat het om één specifiek petje gaat. Daarom gebruik je hier ‘dat’ in plaats van ‘wat’.

Na ‘alles’, ‘enige’, ‘dat’, ‘datgene’ en ‘iets’

De woorden ‘alles’, ‘enige’, ‘dat’, ‘datgene’ en ‘iets’ zijn onbepaald, dus hoor je na deze woorden altijd het betrekkelijke voornaamwoord ‘wat’ te gebruiken. De regels op dit gebied lijken echter te veranderen. Zo stelt Taaladvies dat de algemene voorkeur uitgaat naar ‘alles wat’, maar dat ‘alles dat’ in principe ook mogelijk is.

Na een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord

Bij bijvoeglijke naamwoorden met het lidwoord ‘het’ ervoor en zonder zelfstandig naamwoord gebruik je in principe ‘wat’. In deze gevallen is ‘dat’ echter niet per definitie fout. Twee voorbeeldzinnen zijn:

Het eerste wat ik ’s ochtends doe, is opstaan.
Het meeste wat ik in huis heb staan, komt van de kringloopwinkel.

Verwijzen naar een hele zin

Ook als je terugverwijst naar een hele zin, gebruik je ‘wat’ in plaats van ‘dat’ als betrekkelijk voornaamwoord. Soms is in een zin echter onduidelijk of je naar één woord(groep) terugverwijst of naar een hele zin. In die gevallen kun je dit opmaken uit het feit of ‘dat’ dan wel ‘wat’ gebruikt is. Neem bijvoorbeeld deze twee zinnen:

Hij kreeg een boek cadeau, dat hij erg leuk vond.
Hij kreeg een boek cadeau, wat hij erg leuk vond.

In het eerste geval is het cadeau dat hij kreeg, namelijk het boek, iets wat de ontvanger erg leuk vindt. In het tweede geval waardeert de ontvanger vooral het feit dat hij een boek cadeau krijgt, ongeacht welk boek het is. 

Bronnen

Onze Taal
Renkema, J. (2002). Schrijfwijzer. Den Haag: Sdu Uitgevers.
Taaladvies