Wanneer gebruik je welke werkwoordstijd?

17-03-2017

werkwoordstijden gebruiken tekstSoms is het zo klaar als een klontje welke werkwoordstijd je in een zin moet gebruiken, maar dat is niet altijd het geval. Hoewel werkwoordstijden vaak niet direct de informatie in je tekst veranderen, kun je er wel bepaalde structuureffecten mee bereiken en de verhouding tussen verschillende soorten informatie verduidelijken. Hoe zit dat precies?

Vier werkwoordstijden

De Nederlandse taal maakt qua werkwoordstijd onderscheid tussen de tegenwoordige en de verleden tijd, maar ook tussen de voltooide en onvoltooide tijd. De verleden tijd verschilt van de tegenwoordige tijd door een vervoeging (-de of -te) achter de stam of door een verandering van de klinker in de werkwoordsstam. Het verschil tussen de voltooide en onvoltooide tijd is dat er bij de voltooide tijd niet alleen een persoonsvorm in de zin staat. De voltooide tijd is namelijk een combinatie van een hulpwerkwoord (‘zijn’ of ‘hebben’) en een hoofdwerkwoord in de vorm van een voltooid deelwoord (‘geschreven’ of ‘verteld’). Dit leidt tot deze vier werkwoordstijden:

  1. onvoltooid tegenwoordige tijd (dans);
  2. onvoltooid verleden tijd (danste);
  3. voltooid tegenwoordige tijd (heb gedanst);
  4. voltooid verleden tijd (had gedanst).

Onvoltooid tegenwoordige en onvoltooid verleden tijd

De onvoltooid tegenwoordige werkwoordstijd gebruik je voor losstaande feiten (‘1468: de Tachtigjarige Oorlog breekt uit’). Ook informatie die direct van belang is voor de argumentatie staat in de tegenwoordige tijd. Daarom past de tegenwoordige tijd beter in een betogend fragment dan in een verhalende tekst. Om die reden gebruik je ook vaak in de inleiding van bijvoorbeeld een scriptie de onvoltooid tegenwoordige tijd. De onvoltooid verleden tijd roept daarentegen de gedachte op dat informatie onderdeel is van een groter geheel. De verleden tijd is daarom een werkwoordstijd die past bij een verhalende tekst over iets wat in het verleden is gebeurd. 

Praesens historicum

Soms gebruik je de onvoltooid tegenwoordige tijd ook in een verhalende tekst. Deze werkwoordstijd staat in die context ook wel bekend als het praesens historicum. Een voorbeeld daarvan is de zin ‘De voordeur staat open als we om 8 uur naar buiten lopen.’ Het praesens historicum heeft tot gevolg dat informatie overkomt als tamelijk onsamenhangende feiten. Dit kan volgens het boek Formuleren de indruk wekken van een directe beleving: “als je feitelijk zelf ‘midden in een bepaalde gebeurtenis staat, kun je ook niet weten wat de volgende zal zijn.” (Onrust, Verhagen & Doeve, 1993: 66). Daarmee zou het praesens historicum een verhaal verlevendigen.

De voltooide werkwoordstijd

Met de voltooide werkwoordstijd blik je terug op de situatie waarover in de zin wordt verteld, maar dan vanuit een ander perspectief. Gebeurtenissen waarover in de voltooide tijd wordt verteld, bekijken we als afgerond. Het gaat er niet om hoe de gebeurtenis is voltrokken, maar om het feit dat de gebeurtenis is voltrokken. Een voorbeeld is de zin ‘Er is onderzoek gedaan naar onderwerp X’. Het is hierbij niet van belang wat voor onderzoek is gedaan, maar dat in het verleden onderzoek is gedaan. Je bekijkt met de voltooide tijd een situatie als een toeschouwer van buitenaf. De voltooid tegenwoordige tijd is betogend, terwijl de voltooid verleden tijd verhalend is. Bij een onvoltooide werkwoordstijd bekijk je de situatie daarentegen van binnenuit. Dit kan zowel in de tegenwoordige als in de verleden tijd.

Bron

Onrust, M., Verhagen, A. & Doeve, R. (1993). Formuleren. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum.