Prachtige puntkomma’s

Door Eric Tiggeler

De puntkomma wordt steeds minder gebruikt, constateerde Jan Renkema in 2000 in een interview met Onze Taal. Burger en De Jong zien het in hun Handboek Stijl nog somberder in: ‘Wij hebben de indruk dat de puntkomma uitsterft’. Het lijkt erop dat de zwartkijkers gelijk krijgen: als je erop let, kom je nog maar zelden puntkomma’s tegen. Zonde!

We pakken er een paar willekeurige teksten bij: eens kijken hoeveel puntkomma’s erin staan. Verplichte puntkomma’s, in opsommingen bijvoorbeeld, tellen we niet mee. Hoeveel echte, functionele puntkomma’s staan er dan in de tekstpagina’s van de Miljoenennota 2007? Vijftig? Vijftien? Nee, vijf. We proberen het in tien nieuwsberichten van www.nu.nl. Aantal puntkomma’s: nul. Opiniërende teksten dan: een week lang hoofdredactionele commentaren uit de Volkskrant. Ook daarin geen enkele puntkomma. We prikken ten slotte een willekeurig weblog, dat van Hanneke Groenteman: op de 3000 woorden één puntkomma. Of ze vroeger nou zo talrijk waren is de vraag, maar als je op deze steekproef afgaat kun je zien dat puntkomma’s niet erg populair zijn. Dat is eigenlijk jammer. De puntkomma is een mooi leesteken; zij biedt je een middel om de interpretatie van je zinnen een beetje te beïnvloeden. Zoals in dit fragment uit de Miljoenennota over de WWB, de Wet werk en bijstand:

In een recente evaluatie noemde het CPB de WWB dan ook een succes; het is een mooi voorbeeld van een goede balans tussen overheidsingrijpen en eigen verantwoordelijkheid.

De puntkomma geeft aan dat de twee zinnen iets met elkaar te maken hebben, maar is veel subtieler dan een komma en een bijzin. Want daarin moet je de relatie ondubbelzinnig benoemen met een voegwoord:

In een recente evaluatie noemde het CPB de WWB dan ook een succes, omdat het een mooi voorbeeld is van een goede balans tussen overheidsingrijpen en eigen verantwoordelijkheid.

Voor tekstschrijvers is de puntkomma een geschenk. Je maakt duidelijk dat er een relatie bestaat tussen je zinnen, zonder dat je die relatie meteen met zoveel woorden hoeft uit te drukken. Zo geef je je lezers wel het signaal dat ze twee zinnen in elkaars verband moeten begrijpen – maar wat dat verband precies is, hoe de ene bewering de andere aanvult of uitwerkt, dat achterhalen ze zelf maar. Of je vertelt het ze later, uitgebreider; dan is de hele volzin met de puntkomma erin een prelude op wat er nog allemaal volgt. De schrijvers van de Miljoenennota maken handig gebruik van dat retorische effect in hun openingszin:

Nederland staat er beter voor; Nederland werkt.

De tweede zin sluit aan bij wat de eerste vertelt: het gaat goed met Nederland, en dat zie je aan het feit dat ‘Nederland werkt’. Slim geformuleerd, want de puntkomma zet deze twee beweringen als losse feiten naast elkaar – er valt niets tegen te spreken – en suggereert tegelijk een nauw verband. Zo onderbouwt de tweede uitspraak de eerste zonder dat de schrijver die onderbouwing hoeft te expliciteren – en zich daarmee kwetsbaar maakt voor tegenspraak. Een voegwoord zou hier ook veel te eenduidig zijn: Nederland staat er beter voor, want Nederland werkt? Omdat Nederland werkt? Nu Nederland werkt? Een prachtig ding dus, die puntkomma. Waarom zou hij zo weinig gebruikt worden? Misschien doordat de punt, de komma en andere leestekens – het gedachtestreepje is de meest geduchte concurrent van de puntkomma – een wat vanzelfsprekender functie hebben. Wat de puntkomma precies doet, is voor veel schrijvers minder duidelijk: ze gebruiken haar als een verkapte dubbele punt, of ze gebruiken haar niet. Misschien wordt de functie van de puntkomma in veel gevallen ook wel overgenomen door voegwoorden als want, omdat, zodat, die de samenhang wat duidelijker (maar ook schoolser) uitdrukken. Een exclusief leesteken dus, om een heel enkele keer in te zetten. Interpunctie voor gevorderde schrijvers en gevorderde lezers. En, zo lijkt het, voor teksten met een lange adem: rapporten, nota’s, betogende artikelen. Behoefte aan subtiele samenhang? Geef jezelf en je lezer de ruimte; zet een puntkomma.

Eric Tiggeler werkt voor het Taalcentrum-VU als tekstschrijver en cursusontwikkelaar, is auteur van onder andere de Vraagbaak Nederlands en Check je tekst en is te vinden op www.erictiggeler.nl.

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 3 van 2007