En natuurlijk waren er fleurige kussentjes

Waaraan herken je een auteur? Aan zijn stijl, onder andere. In dit derde deel van een onregelmatig verschijnende serie over stijl ligt columniste Aaf Brandt Corstius onder het vergrootglas. Eerdere afleveringen, over de stijl van Geert Mak en Jan Blokker, verschenen respectievelijk in Tekstblad 2006/2 en Tekstblad 2007/4.

Toen het ochtendblad nrc.next in februari 2010 zijn lezers de kans gaf een dagje Aaf Brandt Corstius te spelen, stroomden de reacties binnen. Per minuut werd de redactie bestookt met e-mails van lezers, met bijgevoegd een tekst naar het voorbeeld van de veelgelezen columniste. Onder de inzendingen waren veel columns over ‘hoe moeilijk het is om een column te schrijven’, maar ook bijdragen over toevallig opgevangen treinconversaties, belevenissen rond jonge kinderen en andere gebeurtenissen uit het leven van alledag.
De keuze van de onderwerpen en de grote hoeveelheid reacties zijn tekenend voor Aaf Brandt Corstius en haar populariteit. Sinds de start van nrc.next op 14 maart 2006 trakteerde zij de lezers van die krant, veelal hoogopgeleiden tussen de 25 en de 34 jaar, elke werkdag op een column waarin het dagelijks leven centraal staat. Sinds 29 maart 2010 doet ze dat voor De Volkskrant. Een overstap die ze zo verklaarde: ‘Ik ben bijna vijfendertig, ben moeder geworden en heb een huis gekocht. Dat past misschien allemaal niet zo goed bij Next.’
Misschien niet. Misschien ook wel. Wie de columns van ‘abc’ in beide ochtendkranten naast elkaar legt, stelt vast dat de onderwerpen niet zijn veranderd. Ook in De Volkskrant schrijft ze – in maximaal vierhonderd woorden – over onderwerpen die uit het leven zijn gegrepen van een lezerspubliek van (vooral) dertigers. Net als Brandt Corstius worstelen zij met dilemma’s rond het vinden van een baan, het kopen van een huis, samenwonen en het combineren van werk met de zorg voor jonge kinderen. Bij Brandt Corstius vind je geen kritische beschouwingen over politiek en samenleving. Als zij oog heeft voor wat zich buiten haar directe blikveld afspeelt, is het vooral de menselijke, persoonlijke kant die haar boeit. Niet de standpunten van Job Cohen dus, maar zijn schutterige optreden tijdens lijsttrekkersdebatten. Niet Balkenende als politicus, maar hoe ‘aandoenlijk’ het is als hij zich breed maakt tijdens de verstoring van de Dodenherdenking op 4 mei 2010.
Niet alleen de herkenbaarheid, nabijheid en persoonlijke benadering vallen bij de lezers in de smaak. Ook haar stijl van schrijven doet dat. Recensenten noemen die stijl ‘relativerend humoristisch’ (Ricco van Nierop op www.derecensent.nl), ‘volledig eigen, authentiek, humoristisch’ (Ayesha Weijs op www.mixitup.nl), ‘vlot, knap geconstrueerd’ (Judith Mulder op www.recensieweb.nl) en ‘luchtig, grappig en gevat’ (tv-portret AT5, 1 april 2010). Tegenover deze loftuitingen staat kritiek. Zo vraagt Bert Brussen zich af ‘hoe het toch mogelijk is dat Aaf Brandt Corstius dochter kan zijn van Hugo Brandt Corstius. Laatstgenoemde hanteerde de pen doorgaans als een in vitriool gedoopt vlammend zwaard, terwijl dochter Aaf het ene na het andere zalvende, brave, door Doekle Terpstra persoonlijk goedgekeurde burgervrouwtjesstukje aflevert’ (www.925.nl, 31 maart 2009).

In dit artikel doe ik iets preciezere uitspraken over de stijl van Aaf Brandt Corstius. Het begrip stijl definieer ik daarbij, in navolging van Peter Burger en Jaap de Jong1, als ‘de keuze die een schrijver maakt uit mogelijke formuleringen om zijn gedachten vorm te geven. Die keuze heeft betrekking op woorden, zinsbouw en structuur en wordt mede bepaald door onderwerp, doel, publiek en genre.’ Ook columniste Aaf Brandt Corstius maakt bewuste keuzes. De (volgens mij) meest opvallendste keuzes heb ik geïnventariseerd2 in de columns die tussen 14 oktober 2009 en 17 november 2010 in nrc. next en De Volkskrant stonden. Naar alle teksten verwijs ik hier met de datum waarop ze zijn verschenen. Aan het slot probeer ik de aangetroffen stijlkenmerken betekenis te geven.

Aaf Brandt Corstius

1 Herhaling van woorden, woordgroepen en zinnen

Mijn wereld was de afgelopen twee maanden dus beperkt tot Benjamin. En Radio 1. Ik bracht vele uren door op het kamertje van Benjamin, en daar stond een radio, en uit die radio haalde ik al mijn niet-babygerelateerde gespreksstof. Als ik uit het kamertje kwam, wierp ik mijn nieuwe gespreksstof meteen in de strijd. (12 februari 2010)

Benjamin (2x), kamertje (2x), radio (3x), gespreksstof (2x). Het is Brandt Corstius’ meest typerende stijlkenmerk: de herhaling (soms integraal, soms met kleine variaties) van woorden, woordgroepen of zelfs hele zinnen. Een paar voorbeelden uit vele:

Het heeft iets geruststellends om veel overeenkomsten te hebben met een van de topfotomodellen van de wereld. Of, beter gezegd, met hét topfotomodel van de wereld. Dat heb ik. Veel overeenkomsten.
(4 mei 2010)

Deze week kocht ik De Telegraaf ook omdat hun eigen columnist, professor Bob Smalhout, was opgepakt vanwege wapenbezit. Omdat professor Bob Smalhout een collega is, fascineert dat nieuws mij. Professor Smalhout is 82 en professor, en ik ben pas 35, dus ik hoef me niet te schamen dat ik na het lezen van allerlei berichten over professor Smalhout dacht: ik heb nog een hoop te leren. (8 juni 2010)

En natuurlijk waren er fleurige kussentjes, want fleurige kussentjes zijn, dat weet iedereen, het begin en het eind van elke geslaagde verkoop. (20 oktober 2010)

2 Verkleinwoorden

Op internet kan ik op mijn werkbalk het knopje ‘laatste nieuws’ indrukken. Dan verschijnt er een nieuwsladdertje. Toen ik dat gisterochtend deed, verschenen er tien nieuwtjes. Vijf nieuwtjes gingen over DSB. (14 oktober 2009)

Opvallend: in de columns van Aaf Brandt Corstius (zelf noemt ze ze ‘stukjes’) komen veel verkleinwoorden voor.

Zij [Janine Jansen, EL] is een vioolmeisje van het zuiverste water; zo’n meisje dat prachtig kan spelen, urenlang ernstig over Bach kan praten, en met haar haar in een losse conservatoriumstaart en haar gezichtje in allerlei intense grimassen naar muziek luistert. (18 oktober 2010)

Brandt Corstius koopt geen sandalen, maar ‘sandaaltjes’ (‘één paar lederen sandaaltjes van een chic merk, in plaats van zes paar plastic sandaaltjes van de Hema’, 7 juni 2010). Op een werkdag zijn mensen bezig met ‘dingetjes kopiëren’ (26 mei 2010); tvprogramma’s hebben ‘tussenbeschouwinkjes’ (25 mei 2010) en ‘terugblikjes’ (28 mei 2010). Als de poes is weggelopen, maakt ze ‘kopietjes in doorschijnende mapjes’ van een foto van het beestje, waarna ze op straat ineens overal ‘postertjes’ met andere weggelopen poesjes ziet (9 augustus 2010). Typerend tot slot is deze zin, over het dagblad De Telegraaf:

Ze hebben altijd meteen verslaggevers ter plaatse, eentje in Peru, eentje in Chili, eentje die veel van casino’s weet en een Joranexpert, en die brengen aanhoudend nieuws, doorspekt met steeds weer hetzelfde fotootje van een bleke Joran die een vliegtuigje instapt. (8 juni 2010)

3 Spreektaalelementen: tussenwerpsels, bijvoeglijke naamwoorden

Als je opgroeit zonder moeder, is moederdag raar. Nou ja, er zijn wel meer dingen raar. (7 mei 2010)

Dat Brandt Corstius’ columns ‘luchtig’ worden genoemd, heeft ongetwijfeld te maken met haar hang naar populaire, informele tussenwerpsels uit de spreektaal, zoals nou ja, maar goed, tuurlijk, best, en toch, en naar bepaalde bijvoeglijke naamwoorden die in spreektaal relatief veel voorkomen, zoals ‘raar’ en ‘fijn’. Een boek over de midlifecrisis van Rob Kamphues is bijvoorbeeld ‘fijn’ omdat het zo schaamteloos is (21 september 2010). Aaf is ‘best dol’ op een tv-programma als X Factor (31 mei 2010) en vindt bevallen in het ziekenhuis ‘best knus’ (4 november 2010).

Tuurlijk, daarna ging Wilders dan altijd iets over theedrinken en knuffelen roepen, maar terwijl hij dat deed, zag ik een twinkeling in zijn [Cohens, EL] ogen. Een twinkeling die zei: maar ik vind je wel heel aardig hoor. (25 mei 2010)

Het bijwoord ‘heel’, typisch spreektaal, komt relatief vaak voor. Iemand is ‘heel schattig’ (14 oktober 2009), iets klinkt ‘heel dapper en Jan Blokkerachtig’ (26 maart 2010). Aaf voelt zich ‘heel verwant’ met topfotomodel Gisele Bündchen (4 mei 2010), houdt ervan om Matthijs van Nieuwkerk terug te zien in ‘heel oude fragmenten’ (28 mei 2010) en is dolgelukkig met haar ‘heel aardige gynaecoloog’ (4 november 2010).

4 Zelfgefabriceerde samenstellingen

Later besloot ik om mijn koffiefilterhoudergerelateerde droefenis te vervangen door, alweer, agressie. (7 mei 2010)

Brandt Corstius, ‘opgegroeid in een tijd dat je nog koffiefilterhouders knutselde voor je moeder’, fabriceert neologismen als ‘nietbabygerelateerde gespreksstof’ (12 februari 2010), ‘klassiekemuziekindustrie’ (18 oktober) en ‘moederdagindustrie’ (7 mei 2010). Samenstellingen met het achtervoegsel -achtig scoren hoog, zoals ‘X-factorachtig’ (31 mei 2010) en ‘stijldokterachtig’ (7 juni). Typerend is deze opening:

Hallo, ik ben Aaf Brandt Corstius. Mijn excuses voor deze lagereschoolspreekbeurtachtige beginzin, maar het leek me wel beleefd om mezelf na lange afwezigheid in deze krant opnieuw voor te stellen. (12 februari 2010)

5 Kinderlijk taalgebruik

Ooit, tijdens een wk of ek, in de jaren tachtig of daaromtrent, sorry, specifieker kan ik niet zijn, was er een erg belangrijke wedstrijd tussen Nederland en een ander land. Sorry, ook daarover kan ik niet specifieker zijn. (15 juni 2010)

Een ‘erg belangrijke’ wedstrijd: zo zou een kind zich uitdrukken. Deze keuze voor de kinderlijke formulering maakt Brandt Corstius opvallend vaak. Ongezelligheid vindt ze ‘een afschuwelijk iets’ (4 november 2010). Als ze, op zoek naar een koopwoning in Amsterdam, in gezelschap van haar makelaar een huis bezichtigt, typeert ze de verkopende partij niet als ‘de huidige bewoners’ of ‘de eigenaren’, maar zo:

De mensen van het huis hadden net als ik heel vaak naar de TV-Makelaar gekeken. Ze hadden hun huis pico bello opgeruimd en een beetje gerestyled. (26 mei 2010)

Het woord ‘eng’ past ook in dit infantiele register. Kinderen vinden vaak iets eng. Aaf, inmiddels de 35 gepasseerd, doet (zogenaamd) niet voor ze onder. Het is opvallend hoe vaak dit bijvoeglijk naamwoord voorkomt. Ze ziet ‘enge woorden die passen bij enge situaties’ (5 mei 2010); de jurering van het Songfestival komt op haar over als ‘een enge samenzwering’ (31 mei 2010), en de overspannen violiste Janine Jansen, slachtoffer van de ‘grote gemene klassiekemuziekindustrie’ is ‘zielig’ omdat ze door haar ‘enge marketingmanager en andere sluwe types’ wordt uitgebuit (18 oktober 2010). En dan is er de 3D-film Piranha:

Een verhaal over een vakantiestadje dat door een enge vis wordt bestormd, of in het geval van Piranha, door duizenden enge vissen; een film die toch een zekere gezelligheid uitstraalde omdat de enge vis in kwestie, zoals de haai in Jaws, duidelijk van bordkarton was, net als het script. (…) Dat schijnt de bedoeling te zijn bij horrorfilms; die hoor je niet eng te vinden, maar grappig. (6 september 2010)

6 Gespeelde naïviteit (‘ineens’)

Ja, ongeveer de helft verkocht voordat ze iets nieuws kochten. De andere helft deed het zoals in ‘de goede tijd’: eerst lekker iets kopen, en dan zien of ze hun eigen huis konden slijten. Ineens begreep ik dat ik bij die helft hoorde. De domme helft. (…) We gingen eerst ons huis verkopen, zeiden we tegen elkaar. De makelaar had ons op een idee gebracht. Ineens begreep ik hoe een crisis een diepe crisis wordt. (26 mei 2010)

Meermalen doet Brandt Corstius ‘ineens’ een ontdekking, of stelt ze ‘plotseling’ iets vast dat voor de lezer allang duidelijk is. Die gespeelde naïviteit ligt in het verlengde van het kinderlijke, quasi-onbeholpen taalgebruik.

De advertenties lijken zo op elkaar, dat ik eerst dacht dat ze allemaal voor pindakaas waren. Pas na lang turen zag ik dat het soms ineens over bleekmiddel ging (14 oktober 2009)

Een soort van matroos – of heet zo iemand een marechaussee? – die een kind in zijn armen droeg en een wit bloemetje in zijn mond had. (5 mei 2010)

In het begin dacht ik nog dat het de naam van een Italiaanse bank was. Pas na een tijdje drong het tot me door dat de Giro d’Italia een Italiaanse wielrenwedstrijd was. (10 mei 2010)

Ze realiseert zich ‘ineens’ dat haar tante allang is overleden (25 maart 2010), beseft ‘plotseling’ dat ze niet meer wekelijks naar de film gaat (1 juni 2010) en stelt ‘ineens’ vast dat ze hoogzwanger is van haar tweede kind, dat het Gelredome groot is, en dat je er met de trein heen moet, zodat ze niet naar het concert van Prince kan (17 november 2010).

Het effect van de stijlkenmerken

Recensenten typeren de columns van Aaf Brandt Corstius vaak als ‘luchtig’ en ‘humoristisch’. Het gebruik van herhalingen, spreektaal en de zelfverzonnen samenstellingen bewerkstelligen zeker een komisch effect (voor wie dat leuk vindt). De overtrokken herhalingen trekken bepaalde zaken in het lachwekkende of zelfs in het belachelijke. Dat geldt ook voor de schrijfster zelf. In praktisch al haar columns doet Brandt Corstius zich dommer, wereldvreemder en onschuldiger voor dan ze in werkelijkheid (hoogstwaarschijnlijk) is. De gesignaleerde stijlmiddelen zet ze in om dat effect te bereiken. De vele herhalingen (soms van complete zinnen), de zogenaamde ontdekkingen (‘ineens besefte ik’), de verkleinwoorden, het gebruik van adjectieven als ‘eng’ en bijwoorden als ‘heel’, ‘erg’ en ‘best’, andere vormen van kinderlijk taalgebruik, de zelfverzonnen woorden: ze zetten de auteur als een onnozel uilskuiken neer. Een column van ‘abc’ is soms nauwelijks te onderscheiden van een klassieke lagereschoolspreekbeurt, zoals onderstaand (door mij verzonnen) voorbeeld laat zien:

Ik ga mijn spreekbeurt houden over cavia’s. Cavia’s zijn heel lieve beesten. Cavia’s worden ook wel Guinese biggetjes genoemd. Maar cavia’s zijn geen biggetjes en ze komen ook niet uit Guinea. Cavia’s zijn een beetje zenuwachtig. Ze zijn ook een beetje muisachtig. Maar cavia’s zijn vooral heel lief.

Brandt Corstius spot willens en wetens met bekende stijladviezen die gericht zijn op toepassing van variatie en herhaling, op afwisselende zinsbouw en vermijding van eentonigheid in woordkeus en zinsconstructie. Het resultaat – de naïviteit – is gespeeld. Want Aaf weet beter. De afgestudeerde vertaalwetenschapper Brandt Corstius, voormalig redacteur bij een aantal uitgeverijen, in het voorjaar van 2011 docent van een masterclass column schrijven3, zet haar kinderlijke stukjes met volwassen raffinement in elkaar. In een interview heeft ze aangegeven dat ze intensief aan haar teksten werkt: ‘Maar als ik ’s ochtends die stukjes teruglees, als ik er een hele dag aan heb zitten schaven, dan ben ik vooral heel kritisch op mezelf. Soms denk ik, jeetje, wat flauw. Maar ik vind ze ook wel leuk, anders zou ik ze niet in de krant durven zetten.’4

Stijl en wereldbeeld

De stijl van Aaf Brandt Corstius is een perfecte uitdrukking van het wereldbeeld dat in de stukjes naar voren komt. In kinderlijk geformuleerde zinnen met verkleinwoordjes beschrijft ze een kleine wereld vol alledaagsheden, waarin ‘grotemensendingen’ vaak pas ‘ineens’ duidelijk worden, en dan ‘best eng’ zijn. Het is een wereld waarin de hoofdpersoon, een quasi-naïef meisje van vijfendertig, haar handen vol heeft aan alledaagse dilemma’s: welke jas je moet aandoen in voorjaar of herfst, wat er nou zo leuk was aan het tv-programma van de vorige avond en hoe je een legging met sandaaltjes moet combineren. Daar komen het wel en wee van een jong kind nog bij, plus problemen als het kopen en verkopen van een huis en het afsluiten van een hypotheek.
De columns leggen een innig verband tussen de wereld van de columniste en die van haar lezers. Ze zijn uiterst herkenbaar: de onderwerpen liggen veilig dichtbij huis (of vaak zelfs in huis). De stijl past daarbij; die is informeel en verlaagt de drempel tussen schrijver en lezer. Het alsof iemand op parlandotoon gezellig tegen je aan babbelt over alles wat er zoal gebeurt in de wereld – maar dan de wereld van de fleurige kussentjes. Ook de stijlmiddelen zelf zijn herkenbaar. Aafs stilistisch repertoire is beperkt en daarmee voorspelbaar. Wie Aaf een tijdje volgt, wordt al snel niet meer verrast. De meeste lezers zitten daar waarschijnlijk ook niet op te wachten. Hoewel sommigen de columns tuttige ‘burgervrouwtjesstukjes’ vinden vol lege prietpraat, zijn ze voor veel anderen, getuige het succes van de columnbundel Het jaar dat ik dertig werd, ‘hilarisch en o zo herkenbaar’5. Ze appelleren aan de behoefte van een grote groep lezers, die vooral herkenbaarheid, veiligheid en een glimlach zoekt.
Aaf Brandt Corstius’ naïviteit heeft een dubbele bodem. De argeloosheid is gespeeld en daarmee ironisch. Ze sluit nog een ander bondgenootschap met haar lezers: die weten donders goed dat Aaf heus geen kleuter is die ‘opeens’ van alles beseft, of over huiseigenaren praat als over ‘de mensen van het huis’. Aaf maakt zichzelf een beetje belachelijk. Zij weet dat en de lezers weten dat. Samen vinden zij dat leuk. Heeft Aaf ook echt iets te melden? Uit haar columns komen we het niet te weten.

1) Peter Burger en Jaap de Jong, Handboek Stijl. Adviezen voor aantrekkelijk schrijven. 2e dr. Den Haag, 2009. Citaat op p. 19.
2) Ik doe dat aan de hand van de Checklist Nederlandse stijlmiddelen die door de Leidse stijlwetenschapper Arie Verhagen is ontwikkeld, geïnspireerd Geoffrey Leech and Mick Short: Style in Fiction, A Linguistic
Introduction to English Fictional Prose. 1st ed. 1981. 2nd ed. Harlow, 2007. (English Language Series). De checklist maakt het mogelijk om in relatief korte tijd een substantiële hoeveelheid relevante
stijlkenmerken van een tekst te benoemen.
3) Op 17 april 2011 geeft Aaf Brandt Corstius de Masterclass Do’s en don’ts van het column schrijven. Deelnemers sturen van tevoren hun zelfgeschreven column naar Aaf, waarna ze met kritisch oog haar op- en
aanmerkingen geeft. Bron: www.nightwriters.nl/Wannabe_a_writer/Workshops
4) Aimee Kiene, interview met Aaf Brandt Corstius in VK Banen, 13 maart 2007
5) Ayesha Weijs over Het jaar dat ik 30 werd. Bron: www.mixitup.nl

Aaf Brandt Corstius

Aaf Brandt Corstius (1975) begon haar loopbaan bij Folia, het blad van de Universiteit
van Amsterdam, tijdens haar studie Vertaalwetenschap. Vervolgens was ze redacteur
bij verschillende uitgeverijen. Ze publiceerde onder meer Succesvol studeren in het
buitenland (2000), Het jaar dat ik dertig werd (een bundeling nrc.next-columns, 2006)
en, samen met Machteld van Gelder, Handboek voor de moderne vrouw (2008). Ze
werkt als freelance journalist voor onder meer Elegance, Elle en Cosmopolitan.
Tv-kijkers hebben haar leren kennen als tafeldame bij De Wereld Draait Door. Haar
vader Hugo Brandt Corstius schreef van 1979 tot 1986 columns in de Volkskrant,
onder het pseudoniem Stoker.

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 5 van 2010