Het wethouder Hekking-effect

Auteur: Eric Tiggeler

Hoofdstuk 3 van het softwarehandboek begint zo: ‘Als je nieuw bent in Blogger kan ik me goed voorstellen dat je niet goed weet waar je moet beginnen. Daarom geef ik je in dit hoofdstuk een eenvoudig stappenplan zodat je altijd een goede basis hebt voor je blogs. Ook deel ik mijn zeven geheimen om goede blogs te maken met je. Tot slot laat ik je kennismaken met …’ Misschien valt het je op: de schrijfster van dit boek heeft een voorkeur voor het woordje ik. Niet zozeer in zinnen als ik behandel zus en ik ga in op zo, want dat komt vaker voor. Nee, in haar ik-zinnen gaat het om haar gedachten, haar voorkeuren en haar verstandhouding met de lezer: Ik kan me voorstellen, ik geef je een stappenplan, ik deel mijn geheimen, ik  vergelijk het gebruik van … graag met … Nu is die ikprominentie in dit boek wel heel indringend; de inleiding van nog geen anderhalve pagina bevat 22 x ditzelfde persoonlijk voornaamwoord. Maar ook in andere teksten lijkt de opkomst van ikken waarmee schrijvers hun rol als helper, onthuller en informatiedeler benadrukken, onmiskenbaar.

Geheimen delen
Neem het informatieve artikel in een klantenmagazine, waarin de schrijver niet gewoon tips of adviezen geeft, maar zijn eigen vriendelijke behulpzaamheid onderstreept: Graag help ik u een eindje op weg. Of zie de vele weblogs waarop mensen graag hun zelfverklaarde deskundigheid met de lezer delen, zoals deze gezondheidsevangelist: ‘Wekelijks krijg ik succesverhalen via e-mail binnen en enkele daarvan deel ik met je op deze pagina. Eerst wil ik je kort uitleggen waar het meestal fout gaat.’ Of lees mee met de marketinggoeroe: ‘Als vierde geheim deel ik met je waarom veel marketing eerder afstoot dan aantrekt.’

De grens voorbij
Aan de ene kant vormt al dat ik-gebruik een welkome afwisseling met de vele teksten waarin schrijvers zichzelf verschuilen achter lijdende vormen en andere manieren om informatie objectief te presenteren: In dit overzichtsartikel wordt een poging ondernomen trends te schetsen in het onderzoek naar... Toch is er wel een grens aan de ik-aanwezigheid. Zeker als  je een softwarehandleiding leest, zoek je naar harde feiten, naar uitleg en instructie. Het doet er niet zoveel toe wie die feiten brengt, en of hij of zij iets geeft, deelt of wil uitleggen. Ook in artikelen en blogs – zelfs al zijn die laatste veel persoonlijker – wringt het als de schrijver zo nadrukkelijk in beeld springt en tussen ons en het eigenlijke onderwerp gaat staan: kijk mij eens heel veel weten en bereid zijn dat heel onbaatzuchtig aan jou te vertellen! Dat geldt zeker als die ikken verbonden zijn aan werkwoorden die de persoonlijke emotie van de schrijver uitdrukken (zich kunnen voorstellen, willen) of diens nobele daden (geven, delen).

Spontaan en persoonlijk?
Ongetwijfeld zijn er ook lezers die zich niet storen aan zo’n ik-stijl of die zich er juist door aangesproken voelen. Misschien vinden ze het spontaan, persoonlijk, authentiek. Maar dat spontane en persoonlijke lijkt toch functioneler te zijn als je de plaats en het moment zorgvuldig kiest. Je kunt uit je onzichtbare boodschappersrol springen om te vertellen wat je als schrijver doet, in je tekst. Misschien kun je soms ook je eigen ervaringen inbrengen om de afstand te verkleinen: tussen de lezer en het onderwerp, en tussen de lezer en jou. Maar als je te pas en te onpas voor de camera springt, dan doet dat vooral denken aan de slecht verholen zelfpromotie van wethouder Hekking.


Bestel hier eerder verschenen nummers van Tekstblad.

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 2 van 2012