In den beginne: Openingszinnen in praktijk en onderzoek

In den beginneEen goed begin is het halve werk. Dat geldt ook voor teksten. Maar hoe weet je als schrijver wat een goede openingszin is? We willen bekijken in hoeverre de Tweede Wet van Steehouder houvast biedt (Van de Laar & Stiekema, 2010). Dat doen we door deze wet te toetsen aan praktijkvoorbeelden en onderzoek over schrijfprocessen. Met als resultaat? Dat de Eerste Wet van Steehouder paradoxaal verbonden is aan de tweede.

Lezer! Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht no. 37. Aldus de eerste zin van het boekenweekgeschenk 2011. In de roman De kraai verhaalt Kader Abdollah de geschiedenis van een Iraanse vluchteling die in Nederland belandt. De beginzin is het onomstotelijk bewijs dat de inburgering – althans in literair opzicht – geslaagd is. Multatuli zou deze ontlening wel weten te waarderen. Niet alleen Kader Abdollah, maar tal van literaire schrijvers slagen erin om met hun beginzin direct de toon van hun roman of novelle te treffen. Maar hoe zit het met beginzinnen van – onbekende – schrijvers in een zakelijke context? Is de aanpak van (professionele) schrijvers al eens onderzocht?

De praktijk: welke beginzinnen zien we zoal?

Een passende beginzin bedenken betekent meestal formuleren, schrappen, opnieuw formuleren, bijstellen etc. In de praktijk levert die worsteling met woorden niet altijd een treffend resultaat op:

In het kader van de uitruilregeling (cao -kaderstellende tekst 11-122009, art 7, lid e) voor ondersteunend en onderwijzend personeel in het Hoger Onderwijs is een nieuwe toepassing met betrekking tot rijwielen mogelijk. U kunt vanaf vandaag online een aanvraag indienen voor een woon-werkfiets.

De eerste zin was misschien nodig of handig voor de schrijver om door de blokkade van het lege scherm te geraken, voor de lezer is hij echter overbodig. De eerste regel schrappen – zoals Steehouder in zijn tweede schrijfwet voorstelt (Van de Laar & Stiekema, 2010) – zou hier een goed advies zijn.

Beginzinnen van zakelijke teksten geschreven door inhoudelijke professionals (dus niet de communicatieprofessionals) onthullen dikwijls de traditionele worsteling rond een tekstopening. In alledaagse praktijkvoorbeelden van documenten zien we verschillende soorten beginzinnen die de tweede wet ondersteunen. Allereerst zijn er open deuren en gemeenplaatsen, zoals bijvoorbeeld in dit stuk over netiquette:

Tegenwoordig vindt meer en meer correspondentie plaats in de vorm van e-mail.

Andere openingszinnen herhalen of parafraseren de titel van het hoofdstuk of de paragraaf. Bijvoorbeeld in een adviesrapport over het nieuwe werken:

Drie scenario’s onderzocht Er zijn drie scenario’s onderzocht.

Zulke beginzinnen hebben niet direct een inhoudelijk toegevoegde waarde, behalve misschien voor lezers die het – ook niet echt veel zeggende – kopje genegeerd hebben. Tot slot komen er vooral in correspondentie veel clichématige formuleringen voor:

Naar aanleiding van uw melding berichten we als volgt. 

Waarom is de beginzin zo lastig?

Beginzinnen wijken enigszins af van zinnen verderop in een tekst. De functie van een openingszin is divers: hij moet begrijpelijk zijn, maar tegelijkertijd ook aantrekkelijk en gepast. Om de inhoud begrijpelijk over te brengen, gebruiken veel schrijvers de eerste zin om hun wereld aan die van de lezer te koppelen. Die aanpak kan de drie bovengenoemde vormen van openingszinnen verklaren. Een schrijver neemt zijn toevlucht tot een doorgeschoten toepassing van het ‘given-new-principe’: je begint met iets bekends voordat je nieuwe informatie introduceert. Door de beperkte informatiewaarde kan de lezer de mededeling gemakkelijk verwerken, maar kan die tegelijk als kader dienen voor de nieuwe, nog onbekende informatie. 

Idealiter maakt een openingszin niet alleen duidelijk waarover de tekst precies gaat, maar nodigt hij de lezer op een aantrekkelijke manier uit om verder te lezen. Een openingszin kan de toon zetten voor het vervolg. Die combinatie van functies vergt dus extra aandacht tijdens het schrijven. Het is dé plaats in de tekst – samen met het einde – om inhoud, beperkingen en verwachtingen af te stemmen op de lezer. Niet in het minst omdat op deze plekken ook de relationele en expressieve functie vaak het meest uitgesproken is.

Onderzoek: hoe gaan (professionele) schrijvers te werk?

Dat het begin van een tekst – ook om inhoudelijke redenen – extra aandacht vereist toont observatieonderzoek van professionele schrijvers duidelijk aan. Zo laten bijvoorbeeld Sleurs (2003) en Van Hout (2010) zien dat journalisten tijdens het schrijfproces op geregelde tijdstippen teruggrijpen naar de lead en de titel van hun artikel. Waarschijnlijk geeft de uitwerking van een nieuwe alinea van een artikel de aanleiding om de eerste zinnen enigszins aan te passen. De journalist zorgt duidelijk voor een optimale afstemming tussen de eerste zinnen en de rest van de tekst, en dat lukt zeker niet meteen de eerste keer, ook niet bij een professional.

Precies die herhaalde aanpassingen van de eerste zinnen blijken kenmerkend te zijn voor de deskundigheid en ervarenheid van een schrijver. Lindgren, Leijten en Van Waes (2011) observeerden ondermeer 10-jarigen, 15-jarigen en professionele schrijvers (communicatieprofessionals) terwijl die een handleiding uitschreven aan de hand van een video-instructie. Figuur 1 en 2 laten het procesverloop zien van het schrijfproces van een van de professionals en van een van de beginnende schrijvers. Ze hadden respectievelijk 24 en 39 minuten nodig om de taak uit te voeren, in dit geval het schrijven van een instructie voor het planten en verzorgen van een bamboeplantje.

In den beginne figuur 1

In den beginne legenda

De cursorbeweging (stippellijn) in Figuur 1 toont ons dat de professionele schrijver op niet minder dan zeven momenten terugkeert naar de eerste zinnen van zijn tekst om die aan te passen. In twee gevallen schrapt hij de volledige eerste zin. Wanneer hij bij de vierde terugkeer beslist om een extra zin toe te voegen (“Het planten en onderhouden van bamboe vraagt weinig inspanning.”) wil hij de instructieve tekst kennelijk wat persuasieve kracht geven. In een volgende stap herschrijft hij deze zin om stilistische redenen weer tot “Bamboe is een gemakkelijke plant die weinig onderhoud vraagt.“ Die voortdurende terugkeer naar de eerste zinnen in verschillende fases van het proces toont aan hoe cruciaal de opening van de tekst voor deze schrijver is.

In den beginne figuur 2

In den beginne legenda

Hoe anders gaat de beginnende schrijver te werk (Figuur 2). Die organiseert haar schrijfproces vrijwel lineair en laat de tekst heel geleidelijk groeien – met heel veel langere onderbrekingen (zie de groene pauzebollen) – tot ongeveer 600 tekens. Het verschil tussen de lijnen in de figuur is zeer klein, wat betekent dat de schrijver weinig tekst verwijdert. Ook de cursorbeweging volgt de ontwikkeling van de tekst, en alleen tijdens de laatste minuten grijpt de schrijver nog even terug naar het begin van de tekst. In dit geval om één woord te vervangen. Het contrast met de aanpak van de professionele schrijver is dus groot. Die heeft van alle tekst die hij schreef, de helft weer weggegooid.

Onderzoek in de praktijk: hoe begin je een tekst van ongeveer één zin?

Het alledaagse schrijven gaat natuurlijk vaak een stuk ingewikkelder. We gebruiken tijdens het schrijven meer en meer verschillende digitale bronnen en combineren programma’s: andere tekstdocumenten, webpagina’s, grafische programma’s, mails, blogs, wiki’s enz. We schrijven multitaskend, en laten ons ook geregeld afleiden (of verleiden) door binnenkomende mails. Deze aanpak heeft onze manier van schrijven sterk beïnvloed. Dat zien we bijvoorbeeld terug in de manier waarop masterstudenten van de opleiding Meertalige Professionele Communicatie hun tweets schrijven. Uit onderzoek van Leijten & Van Waes (2011) blijkt dat ze al snel meer dan tien keer tussen programma’s wisselen om de 140 karakters van de tweet te produceren (Figuur 3). Dergelijke observaties laten zien dat de integratie van verschillende digitale bronnen cruciaal is voor het schrijfproces, uiteraard niet alleen voor tweets. In dit geval gebeurden de wisselingen om de inhoud te verifiëren, genreconventies te controleren, een lange link te verkorten, een binnenlopend Facebookbericht te lezen etc.

Bij tweets is de eerste zin vaak ook de enige. De Tweede Wet van Steehouder op dit genre toepassen zou betekenen dat we het hele bericht moeten schrappen. Misschien zou dat soms ook beter zijn, maar uiteraard niet altijd. Meer onderzoek naar dit type communicatie en de totstandkoming ervan is dringend nodig als we een beeld willen krijgen van de hedendaagse tekstproductie.

De moraal van dit verhaal?

Voor de aangehaalde praktijkvoorbeelden van beginzinnen lijkt de Tweede Wet van Steehouder op te gaan, en van hun soort zijn er talrijke voorbeelden te geven.

Maar uit de observatieonderzoeken blijkt dat we de wet moeten nuanceren: professionele en beginnende schrijvers pakken het in ieder geval anders aan. De professionele schrijvers besteden al veel aandacht aan de eerste regels van hun teksten. Om hun tekst te verbeteren en zuiverder af te stemmen op de lezer schrappen ze soms de eerste regel of passen ze die geregeld aan. Voor beginnende schrijvers lijkt dat soms lastiger. Professionele schrijvers kijken dus al kritischer naar hun beginzin, en dat leidt tot betere resultaten. Ook vanwege het genre (bijvoorbeeld een tweet) en de tekstdoelen kunnen we de ‘schrapwet’ niet altijd blindelings toepassen. Soms schrappen, soms aanpassen is de nuance die we nodig hebben.

Al met al leveren de onderzoeken ons dus geen pasklare, wetmatige oplossingen. Maar laat dat nou net de Eerste Wet van Steehouder zijn: Onderzoek biedt geen pasklare oplossingen, maar laat vooral zien hoe ingewikkeld elk onderwerp is.

Dit artikel is een bewerking van de lezing die de eerste twee auteurs hielden op het afscheidssymposium van de laatste (27 januari 2011, Universiteit Twente, Enschede).

Literatuur

Leijten, M., & Van Waes, L. (2011). Observing and analysing digital writing processes with Inputlog. Presentation at the Key 2011 conference, Essex.

Lindgren, E., Leijten, M., & Van Waes, L. (2011). Adapting to the reader during writing. Written Language & Literacy, 14(2), 188-223 | doi:10.1075/wll.14.2.02lin

Sleurs, K., Jacobs, G., & Van Waes, L. (2003). Constructing press releases, constructing quotations: A case study. Journal of Sociolinguistics 7(2): 192-212 | doi:10.1111/1467-9481.00219

Van de Laar F. & R. Stiekema, (2010). Twente blijft praktisch, Tekstblad, 16(5/6), 24-19.

Van Hout, T. (2010). Writing from sources: ethnographic insights into business news production. Ghent: Ghent University Press.

Dit artikel is eerder verschenen in een nummer van Tekstblad. Wil je het nummer nabestellen? Dat kan hier. Liever direct een abonnement nemen om altijd op de hoogte te blijven? Klik dan hier.

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 4 van 2011