Afbeelding

ironie.jpg

Ironie gebruiken doe je zo!

Voor tekstschrijvers is de keuze om ironie te gebruiken een moeilijke. Hoewel ironie verkeerd begrepen kan worden, zitten er ook voordelen aan het gebruik van ironie. Ironie kan bijvoorbeeld grappiger zijn dan letterlijke taal en het kan ook een goede manier zijn om kritiek te leveren. In mijn proefschrift Verbal irony: Use and effects in written discourse, onderzocht ik op welke manier ironie gebruikt wordt in geschreven taal en welke effecten ironie op de lezer heeft.

Nou, Piet, dat heb je goed gedaan! Als Piet daadwerkelijk een prima prestatie heeft geleverd, dan kun je deze uiting letterlijk interpreteren. Als deze uitspraak echter een commentaar is op een compleet fiasco, dan is het een voorbeeld van ironie. Een schrijver of spreker die ironie gebruikt, loopt daarbij altijd het risico dat de ironie niet begrepen wordt. Zo zou het kunnen zijn dat Piet niet door heeft dat hij ironisch wordt toegesproken en een vergelijkbaar probleem op eenzelfde manier zal aanpakken.
Voor ironie geldt wat voor de meeste stijlfiguren opgaat: dat ze bij een juist gebruik de waardering voor een tekst verhogen. En het kan ook een lekker gevoel geven om eens een ironische zin te produceren. Maar welke voorzorgsmaatregelen kun je nemen zodat ironie niet tot al te grote misverstanden leidt?

1 Bepaal of de uitspraak überhauptironisch is!

Dit punt kan op twee verschillende manieren worden opgevat. In sommige gevallen komt een ironisch bedoelde uiting niet aan, en dat kan tot misverstanden leiden. Zo zagen we onlangs op Twitter enkele gevallen van ironie voorbijkomen die totaal verkeerd begrepen werden, en waarbij met name de voorbeelden van Cornald Maas en Bert Brussen veel stof deden opwaaien (zie kader 1). Hier gaat het echter niet om de vraag hoe een ironische uiting aankomt bij de ontvanger, maar om de vraag wat überhaupt onder de noemer ‘ironie’ valt. Daarover lopen de meningen nogal uiteen. Zo beschreef de Amerikaanse auteur Dave Eggers (2000, p. 33) ironie als ‘het vaakst gebruikte en minst begrepen woord’ van de Engelse taal. Sommige auteurs betrekken er sarcasme bij, of understatements, en nog weer anderen vinden een kritische of postmoderne levenshouding al ironisch.

Kader 1 | Ironie op Twitter: Context, context, co-tekst

Met name op Twitter zijn er voorbeelden te vinden waarbij ironische opmerkingen niet werden begrepen, wat voor de betreffende Twitteraar vervelende gevolgen had. Zo dacht Cornald Maas in één van zijn tweets een ironisch grapje te maken toen hij schreef: ‘Grappige exportproducten heeft Nederland: Sieneke, Joran van der Sloot en de pvv’. ). Iemand die Maas kent of volgt, weet dat hij waarschijnlijk bedoelt te zeggen dat Nederland dankzij Sieneke, Joran en de pvv slecht in de internationale pers komt. De tros, de omroep die het Songfestival uitzendt, kon de ironie niet waarderen en ontsloeg hem als commentator bij het Nationaal en Eurovisie Songfestival (anp, 2010) De directeur van de tros, Peter Kuipers, was ‘not amused’: ‘[In die tweet] wordt ons Sieneke vergeleken met een moordenaar en anderhalf miljoen PVV-stemmers met Joran van der Sloot. Dan is de grens overschreden en dan is het klaar’. (Mediacourant. nl, 30-6-2010)
Ook columnist Bert Brussen had een vervelende ervaring nadat hij ironie dacht te gebruiken in één van zijn tweets. Brussen moest zich bij de politie verantwoorden voor het retweeten van een tweet met een doodsbedreiging aan het adres van Geert Wilders, die hij aankondigde met de zin ‘Wilders met de dood bedreigen doe je zo’. Hij verdedigde zich met het argument dat het retweeten ironisch bedoeld was en niet serieus genomen had moeten worden. Oud-hoogleraar mediarecht Gerard Schuijt viel Brussen’s ironieargument aan. Het gebruik van ironie was natuurlijk toegestaan, zo betoogde Schuijt, maar het moest wel duidelijk zijn dat een uitspraak ironisch bedoeld was (Schuijt, 2010). Volgens Schuijt gaf Brussen weinig aanwijzingen dat ironische tweet ook als zodanig geïnterpreteerd had moeten worden.
Omdat een tweet maar uit maximaal 140 karakters mag bestaan, is het vaak lastig om genoeg aanwijzingen te geven dat ironie in aantocht is. Co-tekst (de overige uitingen van een tekst) kan een belangrijke rol spelen bij ironieherkenning. Zo kunnen in de co-tekst al signalen voorkomen dat de spreker niet serieus is: als een tekst al veel overdrijvingen bevat, of als het tegendeel van de ironische uiting al een keer letterlijk geformuleerd is, is het makkelijker om te begrijpen dat een uiting ironisch is bedoeld. En als je al in een ironische mood zit, herken je de ironie ook veel makkelijker: een tweede of derde ironische uiting in een tekst wordt eenvoudiger gevonden dan een eerste. Twitter biedt hiervoor minder mogelijkheden, waardoor de lezer het moet doen met contextkennis, eventuele eerdere tweets en kennis over de persoon van de twitteraar. Hierdoor loopt een ironische twitteraar een relatief groot risico om niet begrepen te worden. Overigens kan het ook voorkomen dat een serieus bedoelde tweet ironisch gelezen wordt. De eerste tweet van de Amerikaanse auteur Bret Easton Ellis (bekend van boeken als Less than Zero en American Psycho) was bijvoorbeeld ‘Weet iemand wie @breteastonellis is?’ Volgers interpreteerden deze tweet als een ironisch commentaar op Ellis’ eigen bekendheid. Ellis was echter bloedserieus: iemand had een Twitteraccount geopend onder zijn naam en Ellis wilde graag weten wie daar achter schuil ging (Koster, 2010).


Covers van TekstbladAls tekstschrijver of communicatieprofessional op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen?

Dan is Tekstblad jouw lijfblad. Want Tekstblad is hét tijdschrift over tekst en communicatie. Van de speeches van Mark Rutte en de nieuwste inzichten in SEO tot de joviale toon waarop bedrijven als Etos en IKEA klanten aanspreken. En het blad wordt gemaakt door communicatiewetenschappers, schrijftrainers en tekstschrijvers. Kortom, onmisbaar voor iedere communicatieprofessional en tekstschrijver.

Eerste jaar meer dan 50% introductiekorting èn een welkomstcadeau bij een abonnement!

Ja, graag!         Geef cadeau


Letterlijk tegengesteld aan bedoeld

Om te bepalen wat wèl onder de noemer ironie valt, is een goede definitie van ironie nodig. Op basis van overeenkomsten in de definities van andere auteurs heb ik de volgende werkdefinitie van ironie opgesteld: ‘evaluatieve uiting waarvan de letterlijk positieve waarde negatief moet worden geïnterpreteerd of de letterlijk negatieve waarde positief moet worden geïnterpreteerd’. Laat ik dit illustreren met een voorbeeld. In de reclame voor Computer Idee wordt gesteld dat het schandalig is dat het blad in een bepaalde week de lage prijs van €1,– heeft. De letterlijke evaluatie van deze boodschap is dat het slecht is dat het blad een lage prijs heeft. De bedoelde evaluatie van de boodschap is dat het juist goed is dat het blad goedkoper wordt aangeboden. Alleen in de gevallen waarbij er een tegenstelling is in de valentie van de evaluatie (negatief vs. positief of andersom) tussen de letterlijke en de bedoelde evaluatie, spreken we van ironie.

2 Denk aan uw publiek!

Voor tekstschrijvers is dit advies natuurlijk een waarheid als een koe; natuurlijk moet een goede schrijver aan zijn of haar publiek denken. Toch is er in veel onderzoek naar ironie opvallend weinig aandacht besteed aan de manier waarop ironie in normaal taalgebruik wordt gebezigd. In plaats daarvan analyseren ironieonderzoekers vooral voorbeelden uit de klassieke Engelstalige literatuur zoals het werk van Jonathan Swift of Shakespeare of zelf verzonnen scenario’s. De vraag is of deze voorbeelden wel representatief zijn voor de manier waarop ironie in hedendaags taalgebruik voorkomt. Uit eerder corpusonderzoek kwam naar voren dat mensen over het algemeen niet goed in staat zijn om in te schatten op welke wijze zij zelf taal gebruiken. Voor mijn promotieonderzoek heb ik daarom een corpus van 213 teksten met 456 ironische uitingen verzameld om te analyseren op welke manier ironie daadwerkelijk in geschreven taal wordt gebruikt. De ironische uitingen kwamen uit zes verschillende genres: commerciële en niet-commerciële advertenties, columns, cartoons, recensies en ingezonden brieven.

Ironiefactoren: impliciet of expliciet, positief of negatief

Vervolgens heb ik deze ironische uitingen geanalyseerd op het gebruik van zgn. ironiefactoren en de aanwezigheid van ironiemarkeerders. Ironiefactoren zijn aspecten die de ironie onderscheiden van niet-ironie. Zojuist zagen we dat een ironische uiting altijd op een evaluatieschaal kunnen plaatsen. Dit betekent dat het uitspreken van een waardeoordeel één van de ironiefactoren is. De vorm van de evaluatie kan echter verschillen tussen ironische uitingen. Stel dat u gadeslaat hoe ik tevergeefs probeer een ikea-kast in elkaar te zetten en dat u daar op een ironische wijze kritiek op wilt leveren. U kunt dan een evaluatieve term als ‘goed’ of ‘prachtig’ gebruiken (‘Dat heb je goed gedaan!’): de ironie is dan expliciet evaluatief. U had de evaluatie ook impliciet kunnen laten door geen evaluatieve term te gebruiken en de evaluatie slechts te suggereren. (‘Nou, ik zie dat de kast al in elkaar zit’.).
Een tweede ironiefactor is de valentie (de positieve of negatieve kant) van de ironie. In sommige gevallen – zoals bij het voorbeeld van de ikea-kast – drukt men met ironie een negatieve evaluatie uit. In andere gevallen kan men met ironie juist een positieve evaluatie uitdrukken (‘Dat heb je slecht gedaan!´, als iets juist erg goed ging). De eerste vorm wordt ironic praise, de tweede vorm wordt ironic blame genoemd. Deze twee genoemde ironiefactoren worden in de verschillende genres verschillend gebruikt. Een kleine meerderheid van de ironische uitingen in mijn corpus blijkt expliciet evaluatief te zijn. Alleen in het genre van de commerciële advertenties zijn minder dan 40% van de ironische uitingen expliciet evaluatief.
Op de valentie van de ironie zien we dat ironic praise vaker wordt gebruikt dan ironic blame (77 vs. 23%). Op basis van de literatuur over ironie (bv. Kreuz, 1996; Matthews, Hancock & Dunham, 2006) vermoedden we dit al. In columns en recensies ligt het percentage van ironic praise zelfs nog significant boven de 77%. Opnieuw wijken de commerciële advertenties op een opvallende manier van deze gemiddelden af: in dit genre komt ironic blame ongeveer even vaak voor als ironic praise. Vanuit het genre is dit goed te verklaren. Van een advertentie verwacht je immers altijd een positieve evaluatie van een product, een dienst of een adverteerder. Binnen deze context weet de lezer dat de tekst een positieve boodschap zal bevatten. Daarom is het waarschijnlijk dat het in een advertentiecontext relatief eenvoudig is om ironic blame te gebruiken in uitspraken als ‘schandalig goedkoop’, ‘Lotto, het grootste risico om miljonair te worden’ of ‘Autodrop, het zou verboden moeten worden’, dan in genres waarbij de lezer minder zekerheid over de bedoelde kernboodschap heeft.

Ironiemarkeerders: aanhalingstekens, emoticons

Ironiemarkeerders zijn aanwijzingen in de vorm van aanhalingstekens, overdrijvingen of emoticons die een schrijver kan gebruiken om de lezer op het spoor van de ironie te zetten. Ironiemarkeerders worden op verschillende manieren ingezet. In principe kun je de markeerders weglaten – een ironische bedoelde uiting als ‘Nou, dat is een “expert!”’ kan ook zonder de aanhalingstekens ironisch worden gelezen – maar ze helpen de lezer wel bij het vinden van ironie. Uit mijn corpus blijkt dat een ironische uiting in genres met tekst en af beeldingen (advertenties en cartoons) over het algemeen méér markeerders bevat dan een ironische uiting in puur tekstuele genres (columns, recensies en ingezonden brieven).
Bij het kiezen van ironiefactoren en ironiemarkeerders is het vertrouwde adagium van de tekstschrijver (‘denk aan je publiek’) nog steeds actueel.

Voorbeelden ironie

Kader 2 | Ironie en afbeeldingen

Multimodale genres (i.e., genres met tekst en af beeldingen, zoals advertenties en cartoons) bieden naast het gebruik van geschreven tekst de mogelijkheid om de lezer via het gebruik van af beeldingen op het spoor van de ironie te zetten. Een analyse van de af beeldingen uit het corpus laat zien dat dit op twee manieren kan gebeuren. Allereerst kan een af beelding een belangrijk moment uit een gesprek laten zien door net dat moment weer te geven waarop de spreker een lichamelijke ironiemarkeerder gebruikt. De advertentie van Libertel laat bijvoorbeeld een man zien die een heggenschaar cadeau heeft gekregen in plaats van een mobiele telefoon. Terwijl de ironische uiting letterlijk positief is (‘Leuk hoor, een heggenschaar’) verraden de lichaamstaal van de man en het feit dat hij de heggenschaar als een mobiele telefoon vasthoudt, dat hij ontevreden is met het cadeau. Daarnaast kunnen af beeldingen een situatie weergeven, die zo absurd is, of overdreven, dat een ironische interpretatie voor de hand ligt. Zo is de ironische uiting in de Lotto-advertentie ‘Het grootste risico om ook miljonair te worden’. De af beelding laat zien wat de lezer onder zo’n risico dient te verstaan: omdat Lotto volgens de advertentie zo veel prijzen uitkeert, zullen huidige Lotto-winnaars niet meer de eerste zijn om bepaalde mijlpalen te bereiken zoals de eerste Nederlander worden die op de maan landt. De lezer dient in te zien dat dit zogenaamde risico dusdanig absurd is (er heeft namelijk nog geen enkele Nederlander op de maan gestaan), dat de uiting niet letterlijk bedoeld is.

3 Houd het eenvoudig!

Leiden die verschillende manieren van ironiegebruik in verschillende genres nu ook tot verschillende reacties bij de lezer? Om deze vraag te beantwoorden, heb ik twee verschillende analysemethoden gebruikt. Allereerst hebben codeurs een aantal ironische uitingen uit het corpus gecodeerd op complexiteit. Vervolgens onderzocht ik of de complexiteitsscore voorspeld kon worden door het gebruik van ironiefactoren en –markeerders. Voor sommige factoren en markeerders bleek dat inderdaad het geval te zijn. Zo bleken de codeurs de expliciet evaluatieve ironische uitingen en ironic praise minder complex te vinden dan de impliciet evaluatieve ironische uitingen en ironic blame.
Daarna heb ik een aantal experimenten uitgevoerd om deze resultaten verder uit te pluizen. Respondenten kregen een aantal ingezonden brieven te lezen die eindigden met een stimuluszin. Zo was er een ingezonden brief over verplichte opfriscursussen voor agenten. Uit de ingezonden brief werd duidelijk dat agenten het niet nodig vonden om deze cursussen te volgen. De auteur van de ingezonden brief was het hier echter niet mee eens en vond dat agenten deze cursussen wel degelijk zouden moeten volgen. In het eerste experiment bevatte de stimuluszin aan het einde hetzij expliciet evaluatieve ironie (‘dit soort agenten functioneert uitstekend zonder een verplichte opfriscursus’), hetzij impliciet evaluatieve ironie (‘dit soort agenten heeft een dergelijk verplichte opfriscursus niet nodig’), hetzij een letterlijke variant van de bedoelde boodschap (‘dit soort agenten functioneert belabberd zonder een dergelijke opfriscursus’). De proefpersonen vonden een expliciet evaluatieve ironische uiting eenvoudiger dan een impliciet evaluatieve ironische uiting. In een tweede experiment eindigden de stimuluszinnen met een verschillend aantal ironiemarkeerders. Hieruit bleek dat hoe meer ironiemarkeerders een ironische uiting bevatte, hoe eenvoudiger de respondenten deze ironische uiting vonden en hoe makkelijker ze de ironie begrepen.

Laveren tussen onbegrip en waardering

Deze resultaten geven niet alleen aan dat bepaalde boodschapskenmerken van ironische uitingen een effect hebben op het begrip van ironie, maar ze bieden ook aanknopingspunten voor de waardering van ironie. Eerder onderzoek naar de waardering van stijlfiguren geeft aan dat de waardering ervan te voorspellen is via een omgekeerde u-curve. Dit betekent dat als een tekst erg eenvoudig of juist erg moeilijk gevonden wordt, deze tekst niet gewaardeerd wordt. Pas als een tekst een beetje moeilijk gevonden wordt, wordt deze gewaardeerd. Dit vond ik ook in de beide experimenten. De vormen van ironie die als relatief eenvoudig werden gezien (bv. expliciet evaluatieve ironie; ironie met meerdere ironiemarkeerders) werden beter gewaardeerd dan de vormen van ironie die moeilijk werden gevonden (bv. impliciet evaluatieve ironie, ironie met weinig of geen markeerders). Dit betekent dat kenmerken van ironie zoals ironiefactoren en –markeerders niet alleen de complexiteit van ironie, maar ook de waardering ervan kunnen voorspellen.
De tekstschrijver die ironie wil gebruiken, doet er dus goed aan om hier even bij stil te staan. Bij ironie loert namelijk altijd het gevaar van onbegrip; ook in mijn onderzoek waren er proefpersonen die zelfs de eenvoudigere vormen van ironie niet doorzagen (hoewel dat er dus minder waren dan bij de complexere vormen van ironie). De ironische schrijver loopt dus altijd het gevaar dat sommige lezers haar of hem niet begrijpen. Als het correct begrip van een tekst het belangrijkste doel van de schrijver is, kan deze ironie het beste geheel vermijden. Mocht een schrijver ook andere doelen hebben, zoals het verhogen van de waardering, dan kan ironie een goede strategie te zijn om die doelen te bereiken. Maar dan wel met relatief eenvoudige ironie.

Literatuur

Burgers, C. (2010). Verbal irony: Use and effects in written discourse. Proefschrift RU Nijmegen. Het proefschrift kan worden gedownload via de Radboud Repository (http://repository.ubn.ru.nl/ of http://hdl.handle.net/2066/81993).

Eggers, D. (2001). Mistakes We Knew We Were Making. In D. Eggers, A Heartbreaking Work of Staggering Genius (pp. 5-48). London: Picador.

Koster, M. (2010). ‘Ik ben te dom voor New York’. De Pers, 20 september 2010, p. 11.

Kreuz, R. (1996). The Use of Verbal Irony: Cues and Constraints. In J. Mio & A. Katz (Eds.), Metaphor: Implications and Applications (pp. 23-38). Mahwah, NJ: Lawrence Erlbaum.

Matthews, J., Hancock, J., & Dunham, P. (2006). The Roles of Politeness and Humor in the Asymmetry of Affect in Verbal Irony. Discourse Processes, 41(1), 3-24.

Schuijt, G. (2010). Ironie mag, maar het moet wel herkenbaar zijn. NRC Handelsblad, 20 augustus 2010, p. 7.