Overdrijfstijl: de hyperbool als stijlmiddel par excellence voor columnisten?

Zomers die een half jaar duren (echt)


De hyperbool als stijlmiddel par excellence voor columnisten?

Door Margreet Onrust en Sarah van Vliet.

Heel vrouwelijk Amerika is, haars ondanks, in de ban van die overspelige, harteloze en ontzettend lekkere Don Draper.

Héél vrouwelijk Amerika? Bij deze constatering van columniste Sylvia Witteman zullen de meeste lezers vermoeden dat niet álle Amerikaanse vrouwen verzot zijn op Don Draper, de ster uit de Amerikaanse televisieserie Mad Men. Toch is deze uitspraak niet een leugen te noemen; Sylvia Witteman doet een ‘juiste’ observatie over de populariteit van de serie en diens charismatische hoofdpersoon. Geen waarheid, geen leugen, maar een overdrijving – in taalbeheersingstermen: een hyperbool. De hyperbool lijkt, naast stijlfiguren als herhaling, ironie en beeldspraak, het stijlmiddel bij uitstek voor de columnist.

Met het oog op mogelijke adviezen voor beginnende columnisten hebben we een inventariserend onderzoek gedaan naar het hyperboolgebruik van professionals: worden bepaalde soorten hyperbool systematisch gebruikt in bepaalde soorten columns? Zijn er regelmatigheden te bespeuren in de functies die de hyperbolen binnen de tekst uitoefenen? In dit artikel tonen we eerst de verschijningsvormen van hyperbolen in columns; daarna bespreken we de resultaten van ons onderzoek, die duidelijk maken waarom het nog niet zo gemakkelijk is om adviezen over het gebruik van dit stijlmiddel te geven.

Columnistiek

Een column laat zich omschrijven als een kort opiniërend of persoonlijk stukje, met een grote vrijheid voor de individuele columnist (zie Asbreuk & De Moor 2007, en Kussendrager & Van der Lugt 2007; zie ook het artikel van Anne Boerrigter en Eric Tiggeler in de vorige editie van Tekstblad). Volgens het NRC Stijlboek is de column ‘de enige bijdrage aan de krant die in keuze van onderwerp, gezichtspunt, stijl en mening een hoogst persoonlijk karakter heeft’. Er wordt doorgaans een onderscheid gemaakt tussen de opiniërende (ook wel essayistische) column enerzijds, en de persoonlijke (vermakende) column anderzijds. We zouden dus voorzichtig kunnen spreken van twee ‘subgenres’ in columns. Het vrije karakter van de column zorgt er niettemin voor dat het taalgebruik binnen het genre lastig te omschrijven is; afgezien van een beschrijving van stijlmiddelen in het handboek Check je column van Boerrigter en Tiggeler (2011), is er over stijlmiddelen voor de column – zoals de hyperbool – nauwelijks iets te vinden.

Wat is een hyperbool?

Wat precies een hyperbool is, is een lastige vraag; dat maakt het ook moeilijk om beginnende columnisteHyperbolenn te adviseren op dit stijlgebied. De hyperbool wordt traditioneel gekarakteriseerd als een ‘tomeloze overdrijving’ (zie Schellens en Steehouder 2008). Schilperoord en Maes (2010) definiëren de hyperbool als een ‘moedwillige overdrijving van een bepaald onderdeel van de betekenis’ (p. 77), iets wat bepaald wordt op basis van een contrast met de verwachting van de lezer. Die verwevenheid van de overdrijving met de context waarin de zin begrepen moet worden, bemoeilijkt de analyse van de hyperbool. Zo is het niet helemaal duidelijk of het volgende voorbeeld, van Martin Bril, nu wel of niet een hyperbool is:

Sommige produkten zijn onweerstaanbaar, olijfolie bijvoorbeeld. Daar ben ik niet alleen dol op, ik koop het ook graag, en altijd bij dezelfde winkel, want dat is onderdeel van de aantrekkingskracht.

Of iets als een hyperbool herkend kan worden, hangt ook samen met de mate van overdrijving in een tekst. Hyperbolen laten hierin duidelijk verschillen zien. Dit is te zien in de volgende twee hyperbolische uitspraken van Sylvia Witteman, oplopend in mate van overdrijving, respectievelijk licht overdreven en onmogelijk:

De aanblik van het glanzende apparaatje wekte in hoge mate mijn hebzucht op.

 ...sigaretten waarvan je al kanker krijgt als je er naar kíjkt.

Bij de eerste uitspraak is het maar de vraag of Witteman overdrijft, of gewoon registreert.

De vorm van hyperbolen

Hyperbolen komen in verschillende soorten en maten, en zijn in verschillende taalkundige categorieën in te delen, alweer iets wat een gebruiksadvies bemoeilijkt. De overdrijving zit hem soms in een enkel woord (1), soms in meerdere woorden (2) of een zin (3), en soms is de column als geheel een hyperbool te noemen (4).

1 De eerste opendakkers die je ziet, zijn altijd die mannen in hun eentje.

2 Duizenden buslijnen en honderdduizenden haltes vormen een web dat Nederland bij elkaar houdt, een fragiel en fijnmazig web, en zelden zie je iemand bij een halte staan.    

3 De roomijsschappen in de supermarkt nemen méér plaats in dan de hele afdeling groente en fruit samen.    

4 Zelf verzette ik me als kind tot het uiterste tegen logeren, maar soms bleek het onvermijdelijk.] Dan nam ik een stukje van onze eigen zeep mee, om in dat enge vreemde bed aan te ruiken, tegen de heimwee. Als je echt hard ging huilen kwam er immers zo’n troostende tante of buurvrouw de trap op, en die rook al helemáál verkeerd, naar rotte tanden bijvoorbeeld, uienzweet, of juist naar goedbedoeld naargeestig reukwater, waardoor alles nog erger werd. Bij andere mensen in huis hingen altijd de verkeerde geuren, van een scherp schoonmaakmiddel, herhaaldelijk opgewarmde kapucijners, zure dweiltjes of hyacinten, de afschuwelijkste bloemen die ik ooit geroken heb. Hoe houden die mensen het hier uit, dacht ik dan, vol ademstokkend verlangen naar mijn eigen huis, met zijn geruststellend geurenpalet van warme stopverf, sissend strijkgoed, ceylonthee, tuinkers en mandarijnenschillen.

De functie van hyperbolen

Een hyperbool kan binnen een column verschillende functies uitoefenen: door overdrijving kan een columnist een situatie beeldend neerzetten; de columnist kan de overdrijving ook inzetten om de lezer aan het lachen te maken; of om een argument kracht bij te zetten en de lezer daarmee te overtuigen. Binnen het kader van ons onderzoek blijkt het ondoenlijk om hyperbolen eenduidig en unaniem in te delen volgens de vele functies die in de literatuur te vinden zijn. Maar grofweg onderscheiden we twee functiecategorieën: de overtuigende en de literairesthetische. De overtuigende hyperbool kan een bepaalde eigenschap of een oordeel versterken:

En die éne zomerjurk waar je vorig jaar zoveel complimenten over kreeg vertoont ter hoogte van het middenrif een conglomeraat van rode, gele en groene klonten: een handvol winegums, in het borstzakje achtergebleven op de laatste stranddag van het seizoen en voorgoed onherstelbaar vastgekit. Ik droeg het [badpak] acht jaar lang elke zomer en de zomers duurden in die tijd een half jaar (echt).

De verfraaiende hyperbool roept een (humoristisch) beeld op, en versterkt vooral het leesplezier:

Ineens blijk je [in je badpak] de hele dag een bos in smeerolie gedrenkt zeewier, een kilo schelpen en twee babykwallen meegedragen te hebben.

Zelf verzette ik me als kind tot het uiterste tegen logeren, maar soms bleek het onvermijdelijk. Dan nam ik een stukje van onze eigen zeep mee, om in dat enge vreemde bed aan te ruiken, tegen de heimwee. Als je echt hard ging huilen kwam er immers zo’n troostende tante of buurvrouw de trap op, en die rook al helemáál verkeerd, naar rotte tanden bijvoorbeeld, uienzweet, of juist naar goedbedoeld naargeestig reukwater, waardoor alles nog erger werd.

Onderzoek naar hyperbolen

Gebruiken professionele columnisten bepaalde vormen van hyperbolen voor bepaalde functies, en heeft dat te maken met het soort columns dat ze schrijven? Of heeft iedere columnist een persoonlijke hyperboolstijl? Om het hyperboolgebruik, en de invloed daarop van persoonlijke schrijfstijl en verschillende columnsoorten, in kaart te brengen hebben wij in samenwerking met een aantal bachelorstudenten onderzoek gedaan naar het gebruik van hyperbolen bij acht verschillende columnisten: vier columnisten die voornamelijk persoonlijke columns schrijven, onder wie Aaf Brandt Corstius, Sylvia Witteman, Nico Dijkshoorn en Martin Bril; en vier schrijvers van voornamelijk opiniërende columns, te weten Bert Wagendorp, Jeffrey Wijnberg, Rosan Hertzberger en Rob Wijnberg.

Ons onderzoek laat een aantal tendensen zien in het hyperboolgebruik van deze columnisten. Zo is er een algemeen patroon te herkennen in het gebruik van de verschillende taalkundige vormen. In 259 columns (samen 120.000 woorden) zetten onze acht columnisten gemiddeld vooral hyperbolen van één (35,1%) of meerdere (35,0%) woorden in. Het aandeel van hyperbolen in de vorm van (meerdere) zinnen is duidelijk kleiner: 26% hele zinnen, en 3,2% hyperbolen die uit meerdere zinnen bestaan.

Dit patroon is in opiniërende columns niet wezenlijk anders dan in persoonlijke columns. Tegelijkertijd zien we dat individuele columnisten significant van dit patroon kunnen afwijken. In die afwijkingen zien we een aspect van hun individuele hyperboolstijl. Hiervan geven we in tabel 1 vier voorbeelden.

Tabel 1 Hyperbolen

Tabel 1. Hyperboolpatronen per columnist ten opzichte van gemiddeld patroon

Opvallend aan de hyperboolstijl van Aaf Brandt Corstius, is dat ze relatief gezien veel hyperbolen gebruikt die uit één woord bestaan, en dat ze juist duidelijk minder werkt met éénzinshyperbolen. Daarmee onderscheidt Aaf zich van Sylvia Witteman en Rob Wijnberg, die juist relatief zuinig zijn met de éénwoordhyperbolen. Hun hyperboolstijl wordt vooral bepaald door hyperbolen uit één zin. Die maakt Martin Bril juist weer nauwelijks; typisch voor zijn hyperboolstijl is dan weer de hyperbool die bestaat uit meerdere woorden.

Voor wat betreft de functies van hyperbolen lijken de beide ‘subgenres’ wel van elkaar te verschillen. Bij beide ‘subgenres’ van columns geldt een voorkeur voor het gebruik van overtuigende hyperbolen: hyperbolen die versterken of benadrukken, en daarmee de boodschap kracht bij willen zetten. Die voorkeur is bij opiniërende columns echter groter dan bij persoonlijke columns. In persoonlijke columns is het aandeel van de verfraaiende, beeldende of humoristische hyperbolen nog zo’n 40%; in opiniërende columns zakt dat aandeel naar ruwweg 30%. Verfraaiende hyperbolen lijken dus vooral te horen bij het persoonlijke genre. Maar ook hier zijn er duidelijke verschillen tussen de acht individuele columnisten. (Deze verschillen suggereren ook dat extremen bij individuele auteurs verantwoordelijk zijn voor de verschillen tussen subgenres.) Het lijkt erop dat we hier een ander aspect van de persoonlijke overdrijfstijl te zien krijgen.
Rosan Herzberger schrijft bijvoorbeeld opiniërende columns met een hoeveelheid verfraaiende hyperbolen die meer past bij het gemiddelde van persoonlijke columns (42,3%), terwijl Jeffrey Wijnberg bijna al zijn hyperbolen (99,3%) inzet om zijn opinies kracht bij te zetten. Diezelfde richting gaat Sylvia Witteman op (83% overtuigende hyperbolen), maar de columns die we van haar in ons corpus hebben zijn juist persoonlijk. Interessant zijn ook de persoonlijke columns van Martin Bril: het aandeel van literaire hyperbolen (48,9%) is bij hem bijna even groot als dat van de overtuigende hyperbolen.

Het is verleidelijk om een verband te zien tussen de oordelen over de persoonlijke schrijfstijl van columnisten, en hun yperboolgebruik. Is het toevallig dat Sylvia Witteman (83% overtuigende hyperbolen, verhoudingsgewijs veel hyperbolen van een hele zin) in HP/De Tijd ‘de koningin van de geestige overdrijving’ genoemd werd? Zou het aantal éénwoordshyperbolen van Aaf Brandt Corstius (47,7%) verband houden met het oordeel van Lucas (2010) over haar ‘kinderlijke taalgebruik’? Martin Bril (48,9% literaire hyperbolen, vooral hyperbolen van twee of meer woorden) heeft in ieder geval een heel andere reputatie: hij staat bekend als de observator van Nederland.

Overdrijfstijl

Ons onderzoek naar hyperboolgebruik laat zien dat de invloed van persoonlijke hyperboolstijl groter is dan die van het ‘subgenre’ van een column. Dat maakt het adviseren over hyperbolen er niet gemakkelijker op. In afwachting van verder onderzoek kunnen we wel proberen om de persoonlijke (hyperbool-) stijlen van columnisten zo goed mogelijk in kaart te brengen. Daarmee maken we het voor een beginnende columnist makkelijk om een stijl die hem of haar bevalt, goed af te kijken. We sluiten ons dan aan bij een klassiek advies: van imitatio naar aemulatio!

Geraadpleegde literatuur

Asbreuk, H., & Moor, A. de (2007). Basisboek journalistiek schrijven. Noordhoff, Groningen.
Boerrigter, A. & E. Tiggeler (2011). Check je column. SDU, Den Haag.
Boerrigter, A. & E. Tiggeler (2012). ‘Columns schrijven’. In: Tekstblad, 18 (2): 20-22.
Bril, M. (2010). Rokjesdag en andere lenteverhalen. Prometheus, Amsterdam.
Kussendrager, N., & Lugt, D. van der (2007). Basisboek journalistiek. Noordhoff, Groningen.
Lucas, E. (2010). En natuurlijk waren er fleurige kussentjes. Over de stijl van Aaf Brandt Corstius. In: Tekstblad, 16(5/6): 12-17.
NRC Stijlgids (z.d.) Uitroepteken | stijlgids. Geraadpleegd op 28 juni 2011, van http://apps.nrc.nl/stijlboek/uitroepteken.
Schellens, P. J., & Steehouder, M. (2008). Tekstanalyse: methoden en toepassingen. Van Gorcum, Assen.
Schilperoord, J., & Maes, A. (2010). ‘Visuele hyperbolen’. In: Tijdschrift voor Taalbeheersing, 32(2), 75-94.
Witteman, S. (2009). Ik verzin dit niet. De Arbeidspers, Amsterdam. Witteman, S. (2011). Veel gezelliger dan bij u thuis. De Arbeiderspers, Amsterdam

Margreet Onrust is verbonden aan de afdeling Taal en Communicatie van de letterenfaculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam, met als specialisatie tekstkwaliteit, genre en stijl, nieuwe media, instructieve teksten en journalistieke teksten.

Sarah van Vliet doceerde Communicatie- en Informatiewetenschappen en Engels aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ze werkt tegenwoordig als zelfstandig tekstadviseur, schrijver en redacteur van Nederlandse en Engelse teksten (Tekstbureau Sarah van Vliet, Amsterdam).

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 3 van 2012