Argumentatie + retorica = strategisch manoeuvreren

Frans van Eemeren, hoogleraar Taalbeheersing, Argumentatietheorie en Retorica aan de Universiteit van Amsterdam gaat met ingang van april 2011 met emeritaat. Van Eemeren is internationaal befaamd vanwege zijn werk op het gebied van argumentatie. Hij heeft een eindeloze lijst van theoretische publicaties op zijn naam staan, maar hij maakte óók boeken voor het publiek, zelfs een met Peter van Straaten. Hij was of is nog steeds gasthoogleraar aan universiteiten in binnen- en buitenland (New York, Lugano). Zijn naam is verbonden aan het begrip ‘strategisch manoeuvreren’: wat mensen doen die retorische middelen en goede argumenten met elkaar mengen.
Frans van Eemeren
Frans van Eemeren begon in de vroege jaren zeventig en werkte nauw en volgens een goed doordacht programma samen met Rob Grootendorst, die in 2000 overleed. Zij waren de vormgevers van een nieuwe afstudeerrichting aan het Instituut voor Neerlandistiek in Amsterdam: Taalbeheersing. Het ging Van Eemeren en Grootendorst om ‘de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van taalgebruik voor communicatieve doeleinden’. Zo omschreven, hield het nog steeds een breed vak in. Omdat ze wilden voorkomen dat er in de Amsterdamse vakbeoefening allemaal aparte winkeltjes zouden ontstaan, zochten ze een algemene kapstok om alle bijdragen aan de ontwikkeling van het vakgebied aan op te hangen; dat werd ‘argumentatie’. Om van de studie van argumentatie een heuse academische discipline te maken doken ze eerst de theorie in. Ze verwerkten inzichten uit de logica, de sociale en cognitieve psychologie, uit de taalkunde zoals conversation analysis, discourse analysis, en uit de retorica en de dialectica. Later moest hun aanpak kunnen uitmonden in praktische aanwijzingen: hoe bereik je bepaalde effecten als je een ingezonden brief schrijft en daarin je standpunt verdedigt, of een zakenbrief, of een redactioneel artikel of commentaar? Uit de taalfilosofie van John Searle (Van Eemeren vertaalde diens hoofdwerk in het Nederlands) namen ze inzichten over de taalhandelingen over.

Tussen de regels door begrijpen

Frans van Eemeren: ‘Als je een vraag stelt, een verzoek of een belofte doet, creëer je daarmee verplichtingen, voor jezelf en voor iemand anders. Communicatie veronderstelt een interactie tussen een ik en een jij. Ook Paul Grice legde daar de nadruk op. Die wees erop wat er gebeurt als je je niet aan elementaire conversationele beginselen – zijn befaamde maximes – houdt. We kunnen uit wat iemand zegt, soms pragmatische conclusies trekken, die ook wel conversationele implicaturen heten. Als je over iemand over wie je een oordeel wordt gevraagd bij een sollicitatie bijvoorbeeld zegt: “Dat is een heel ijverig persoon”, wordt dat terecht begrepen als “Ik ben niet zo enthousiast over die persoon”.’
Inzicht in argumentatie moet leiden tot een beter afgewogen oordeel. Het helpt bij het spreken in het openbaar, bij het doen van voorstellen op vergaderingen, bij het analyseren van het betoog van anderen en bij het laten zien welke zwakke punten of drogredenen daar in zitten. Om theoretisch greep te krijgen op argumentatie gingen Van Eemeren en Grootendorst terug naar Aristoteles en de andere Griekse leermeesters en verdiepten ze zich in hun hedendaagse opvolgers, zoals Toulmin en Perelman, Olbrechts-Tyteca met hun ‘New Rhetoric’. Samen met Tjark Kruiger schreven ze in 1978 de populaire en vaak herdrukte en bewerkte Aulapocket Argumentatietheorie.

Engels van studietaal naar voertaal

Van Eemeren: ‘We waren enthousiast aan ons vak begonnen en we waren aanvankelijk helemaal overtuigd van de belangwekkendheid van de literatuur die we hadden bestudeerd. Pas daarna begonnen we onze kritiek te formuleren en ontwikkelden we een eigen theoretische benadering. Nadat ons proefschrift in het Engels was vertaald werden Rob en ik als sprekers in het buitenland uitgenodigd, en werd het Engels van een dode studietaal voor ons uiteindelijk de taal waar we onszelf in gingen uitdrukken. Nu kan dat ook bijna niet anders meer. We hebben veel buitenlandse studenten en onze aio’s komen bijvoorbeeld uit Chili, Marokko, Roemenië, Polen en Palestina.
We werken binnen het programma Argupolis samen met onze Zwitserse collega’s van de universiteiten van Lausanne, Lugano en Neuchâtel. Die internationale samenwerking geeft een sterke impuls aan ons onderzoek. In het kader van Argupolis besteden we aandacht aan de filosofie van de redelijkheid, waar John Stuart Mill maar ook Stephen Toulmin eerder interessante inzichten over naar voren hebben gebracht, en met behulp van discourse analysis bijvoorbeeld ook aan argumentatieschema’s. De nadruk ligt steeds op argumentatie in bepaalde gebruikscontexten.’

Patronen in argumentaties herkennen

Van Eemeren vindt het imago dat de academische argumentatieleer te theoretisch en te abstract zou zijn, niet juist: ‘Aan de hand van ons model kun je bijvoorbeeld heel goed drogredenen leren herkennen. Die komen in de argumentatieve praktijk van alledag maar al te vaak voor. Om meer bij de praktijk aan te sluiten ontwikkelde ik samen met mijn oud-student en vriend Peter Houtlosser [overleden in 2008 – red.] in 1995 het begrip “strategisch manoeuvreren”. Dat slaat op het verschijnsel dat mensen in discussies proberen hun zin te krijgen door de discussie een bepaalde richting uit te sturen zónder onredelijk te worden.
Op vier terreinen zijn we onze benadering concreet aan het uitwerken. Het eerste is het recht. Eveline Feteris bijvoorbeeld is daarop gepromoveerd en ze heeft heel wat cursussen aan juristen gegeven om te laten zien hoe hun betogen in elkaar zitten. Het tweede terrein is de politiek, daar ligt mijn eigen interesse en die van Bart Garssen, en dan momenteel met name bij hoe de debatten in het Europees Parlement verlopen. Dat politieke strijdtoneel is volledig onderbelicht in de pers, maar wel belangrijk en interessant. Promovenda Yvon Tonnard bestudeert het optreden van zogeheten one issue-politici – zoals Geert Wilders en Marianne Thieme.
Twee andere promovendi hielden zich eerder al met het politieke discours bezig, Dima Mohammed bestudeerde hoe Question Time verloopt in het Britse parlement, en Corina Andone hoe politici reageren als een interviewer ze confronteert met hun inconsistenties – “vroeger zei u dit, nu zegt u dat”.
Argumentatie in de wetenschap vormt het derde aandachtsveld: ook daar tref je opmerkelijke gevallen van strategisch manoeuvreren aan.
Het vierde terrein dat in Amsterdam speciale aandacht krijgt, is de communicatie in de medische sector. Roosmaryn Pilgram bestudeert het ethos in de communicatie tussen dokter en patiënt, Lotte van Poppel kijkt naar gezondheidsvoorlichting en Renske Wierda gaat promoveren op de rol van autoriteit in medische advertenties.’

Debat

Praktijk is het alfa en omega van de argumentatietheorie

Van Eemeren maakt de balans op van een kleine veertig jaar gedisciplineerd samen de argumentatie onderzoeken: ‘Ons parcours was lang: eerst de vakgeschiedenis, toen de basistheorie, daarna het onderzoek naar drogredenen, vervolgens de methode om te analyseren door te reconstrueren, gevolgd door empirisch onderzoek naar argumentatie, en tegenwoordig – en dan hebben we het echt over de argumentatieve praktijk – de analyse en beoordeling van het systematisch manoeuvreren. De argumentatieve praktijk is het alfa en omega van ons werk, altijd geweest. Alfa: je begint immers altijd met te kijken naar wat er in de praktijk gebeurt – en als je zover bent dat je theoretisch gemotiveerde voorstellen kunt doen om die praktijk te verbeteren ben je bij omega aanbeland. In het onderwijs leren we studenten om argumentatie te analyseren en te beoordelen en zelf beter te argumenteren – ook onze cursussen voor juristen vallen daaronder. Verder hopen we eraan bij te dragen dat discussies volgens een beter formaat gaan plaatsvinden en dat argumentatieve teksten beter worden.’

Hedendaags (leren) argumenteren en schrijven

‘Onze inzichten blijken goed bruikbaar te zijn in het schrijfonderwijs. Je kunt er de structuur van een tekst – van jezelf of als je redigeert, die van een ander – mee verbeteren. Dat is niet gemakkelijk hoor, de argumentatiestructuur in een tekst herkennen, want vaak zit die er behoorlijk diep in verborgen. We hebben verschillende boeken voor het algemenere publiek geschreven, zoals een over drogredenen Dat heeft u mij niet horen zeggen, en een leerboek Overtuigend schrijven. Anton Geesink stuurde ons een bedankbrief omdat ie er zo veel aan had gehad.
Bij het schrijven kan kennis van argumentatietheorie absoluut geen kwaad.
De klacht dat studenten van tegenwoordig niet meer kunnen schrijven slaat overigens nergens op. De huidige studenten komen uit heel verschillende culturen, met heel verschillende opleidingsniveaus van de ouders, verschillende motivaties, en een verschillende kijk op het leven en hun studie. De klagers realiseren zich vaak ook niet dat schrijven op verschillende niveaus plaatsvindt en dat je op elk niveau eigenlijk opnieuw weer van alles moet bijleren. We geven, om dat te illustreren, dan ook niet alleen schrijfcursussen aan eerstejaars, maar ook aan de promovendi van het Huizinga Instituut.
Systematisch, methodisch argumentaties kunnen analyseren gaat bij ons vooraf aan goed leren schrijven – studenten maken éérst een analytisch overzicht van de inhoud van hun betoog, en schrijven daarna pas een tekst. In het eerste jaar volgen ze trouwens ook een college spreken en debatteren. Dat is leuk en je hoeft er geen dikke boeken voor te lezen. Tegelijk leren ze een vaardigheid die ze ook bij het schrijven van pas komt: zich bewust worden van de communicatieve situatie, en zich verplaatsen in wat de ander weet of niet weet.’

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer van