Argumentkwaliteit loont

‘Het verlof van zware misdadigers moet worden geschrapt’. ‘Invoering van de kilometerheffing is wenselijk’. ‘Bijvoederen in de Oostvaardersplassen is verstandig’. Vrijwel dagelijks worden we geconfronteerd met standpunten die gaan over wat we zouden moeten doen of laten, over wat wenselijk is of onwenselijk, een goed idee of een minder goed idee, verstandig of minder verstandig. Soms blijft het bij een ontmoeting met standpunten, maar een redelijke kans bestaat dat we ook met argumenten te maken krijgen die bedoeld zijn om deze standpunten aannemelijk(er) te maken.

Hoe beoordelen we een standpunt dat ons in een persuasieve boodschap wordt voorgelegd? Dit hebben veel onderzoekers zich afgevraagd. Zogenaamde dual-process-modellen, zoals Petty en Cacioppo’s Elaboration Likelihood Model, gaan uit van twee manieren om een standpunt te beoordelen: op basis van een zorgvuldige afweging van relevante argumenten (de centrale route) of op basis van niet-inhoudelijke kenmerken, zoals de aantrekkelijkheid van de bron of de hoeveelheid argumenten (de perifere route). Als mensen in staat zijn en gemotiveerd om meer cognitieve energie te stoppen in de verwerking van de boodschap, dan zijn ze eerder geneigd de argumenten aandachtig te verwerken. Anders richten ze zich eerder op perifere signalen.
Bij centrale verwerking van een boodschap kan argumentkwaliteit een belangrijke rol spelen in het overtuigingsproces. Sterke argumenten leiden tot acceptatie van het standpunt, terwijl zwakke argumenten dat niet doen. Omdat het begrip argumentkwaliteit een cruciale rol speelt in modellen van het overtuigingsproces, ligt het voor de hand dat onderzoekers precies weten wat dat begrip inhoudt. Toch moet nog altijd worden scherpgesteld wat een argument precies sterk of zwak maakt. Met dat scherpstellen heb ik een begin gemaakt in mijn proefschrift (zie kader 1 onderaan dit artikel).

Een voorbeeld van geringe argumentkwaliteit

Pragmatische argumenten

Argumenten die ons van de wenselijkheid, of de onwenselijkheid, van een bepaalde maatregel moeten overtuigen zijn niet zelden van het pragmatische type. Je herkent pragmatische argumentatie aan een standpunt waarin een bepaalde maatregel wordt aanbevolen en een bijbehorend argument waarin een gunstig gevolg van die maatregel wordt genoemd. Er is ook sprake van pragmatische argumentatie als in een standpunt een bepaalde maatregel wordt afgeraden en in het ondersteunende argument op een nadelig gevolg van die maatregel wordt gewezen. Zo kan een politicus de invoering van de kilometerheffing als volgt verdedigen:

Invoering van de kilometerheffing is wenselijk. De invoering van de kilometerheffing leidt immers tot een afname van het aantal files en een afname van het aantal files is
wenselijk.

Dat een afname van het aantal files wenselijk is maakt in dit voorbeeld deel uit van het argument, maar in de praktijk wordt nog wel eens verzwegen dat een bepaalde consequentie wenselijk is.
Pragmatische argumenten kunnen nog verder worden onderbouwd. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld om verder te beargumenteren dat een afname van het aantal files wenselijk is; een andere mogelijkheid is om aanvullende argumenten aan te voeren voor de claim dat invoering van de kilometerheffing leidt tot een afname van het aantal files. Ik was vooral geïnteresseerd in die tweede mogelijkheid. Mijn onderzoek was dan ook gericht op drie verschillende argumenttypen die men gebruikt om te verdedigen dat een bepaalde maatregel tot een bepaald effect leidt.

Autoriteiten, voorspellingen, voorbeelden

Welke typen argumenten kunnen we gebruik voor claims van het type ‘invoering van de kilometerheffing leidt tot een afname van het aantal files’? Ten eerste kunnen we met het autoriteitsargument een beroep doen op een deskundige bron. Bijvoorbeeld:

‘Peter van Dijk, hoogleraar mobiliteit aan de Universiteit van Amsterdam, stelt dat kilometerheffing de filedruk kan verlagen. Dus: invoering van de kilometerheffing leidt tot een afname van het aantal files.’

Ten tweede kan het argument van oorzaak naar gevolg (of argument ter voorspelling) worden ingezet. Hierin wordt aan de hand van causale tussenstappen of aan de hand van een algemeen causaal verband aannemelijk gemaakt dat het één tot het ander leidt. Neem deze redenering met twee causale stappen:

‘Als autorijden duurder wordt, zullen meer mensen voor openbaar vervoer kiezen en dat leidt tot minder files. Dus: invoering van de kilometerheffing leidt tot een afname van het aantal files.’

Een voorbeeld van een argument met een algemeen causaal verband is:

‘financiële prikkels leiden doorgaans tot minder verkeersproblemen’.

Ten derde kunnen we in het voorbeeldargument een of meerdere voorbeelden aanhalen om een algemeen standpunt te ondersteunen. Zoals:

‘In Stockholm en Singapore was beprijzing een effectief middel om files aan te pakken. Dus: invoering van de kilometerheffing leidt tot een afname van het aantal files.’

Deze drie argumenttypen stonden centraal in mijn onderzoek. Wat valt er te zeggen over de kwaliteit van de argumenten in deze voorbeelden? Zijn dit nu sterke of zwakke argumenten? En welke criteria gebruiken we eigenlijk om tot een oordeel over argumentkwaliteit te komen?

Criteria voor argumentkwaliteit

Ik inventariseerde eerst de criteria voor argumentkwaliteit zoals die in de argumentatietheorie zijn ontwikkeld. Zo valt in de literatuur over argumentatie te lezen dat je je bij een autoriteitsargument moet afvragen of de uitspraak van de veronderstelde expert wel recent is, en dat je bij een voorbeeldargument moet nagaan of er wel een voldoende aantal voorbeelden wordt aangehaald.
Daarnaast betrok ik taalgebruikers zonder specifieke kennis op het gebied van argumentatie bij het onderzoek: welke criteria hanteren ‘leken’ hanteren bij het bepalen van argumentkwaliteit? In interviews stimuleerde ik deelnemers door middel van casussen na te denken over hun criteria voor argumentkwaliteit. In een gesloten casus kregen de deelnemers een aantal argumenten van een bepaald type voorgelegd en moesten ze die ordenen van sterk naar zwak. Vervolgens vroeg ik ze de rangordening toe te lichten. In een open casus bedachten de deelnemers zelf een sterk en een zwak argument van een bepaald type. Mijn vraag was dezelfde als bij de gesloten casus: waarom is het ene argument sterker dan het andere argument? De ‘lekencriteria’ bleken in belangrijke mate overeenkomen met de criteria die in de argumentatietheorie zijn opgesteld. Onze ‘gezond-verstand’-ideeën over wat argumenten sterk of zwak maakt wijken dus niet veel af van de ideeën die argumentatie-experts daarover hebben. Wel lijken sommige criteria breder gedragen te worden dan andere. Bij het autoriteitsargument bijvoorbeeld waren deelnemers het erover eens dat een bron relevante expertise moet hebben, maar werd minder vaak als norm genoemd dat de bron zichzelf of anderen niet moet tegenspreken. Soms kwamen deelnemers met verrassende criteria, dat wil zeggen criteria die niet in de argumentatietheorie worden genoemd. Een voorbeeld van zo een onverwachte norm is dat de bron die in een autoriteitsargument wordt aangehaald, een slag om de arm moet houden (‘invoering van de kilometerheffing kan onder bepaalde voorwaarden tot een afname van het aantal files leiden’).
Invloed van argumentkwaliteit op overtuigingskracht? In modellen van het overtuigingsproces wordt voorspeld dat als mensen een boodschap aandachtig bestuderen, sterke argumenten overtuigender zijn dan zwakke varianten. Dat roept de vraag op of autoriteitsargumenten, argumenten van oorzaak naar gevolg en voorbeeldargumenten die aan de criteria voor argumentkwaliteit voldoen, daadwerkelijk overtuigender zijn dan argumenten die deze criteria schenden.
Om deze vraag te beantwoorden, deed ik een experiment. Ik legde aan 200 participanten 30 korte teksten voor. Ieder tekstje bevatte een argument en een conclusie die door het argument werd ondersteund. Het argument had ik sterk of zwak gemaakt met behulp van de criteria die ik in het eerste gedeelte van het onderzoek had geïnventariseerd. De daadwerkelijke overtuigingskracht werd gemeten door deelnemers te laten aangeven op een zevenpuntsschaal in hoeverre ze het eens waren met de conclusie in de laatste zin van het tekstje.

Verrassend resultaat

Voor het argument van oorzaak naar gevolg en het voorbeeldargument kwam uit het experiment dat sterke argumenten daadwerkelijk overtuigender zijn dan zwakke argumenten. Bij het autoriteitsargument was het resultaat verrassender. Een sterk autoriteitsargument is dan wel overtuigender dan een zwakker argument op basis van een onbetrouwbare bron, maar het is even overtuigend als een zwakker argument op basis van een bron die minder gekwalificeerd is of een minder relevant expertisegebied heeft (zie kader 2 onderaan dit artikel). De conclusie uit het experiment luidt dan ook dat sterke argumenten bij aandachtige verwerking niet altijd overtuigender zijn dan zwakke argumenten.

Argumentkwaliteit loont

Mijn onderzoek leert beleidsmakers, politici en alle anderen die het publiek van hun gelijk willen overtuigen dat het doorgaans de moeite waard is om redelijk te argumenteren. Wie de criteria voor argumentkwaliteit in acht neemt bij het ontwerp van een betoog, is in de regel overtuigender dan de redenaar die deze criteria schendt. Aan de andere kant hoeft het kritisch oordelend publiek zich niet direct zorgen te maken om zijn eigen argumentatieve vaardigheden. Beoordelaars zonder speciale scholing op het gebied van argumentatie gebruiken evaluatiecriteria voor specifieke argumenttypen, die ook nog eens behoorlijk overeenkomen met de criteria die argumentatieexperts daarvoor gebruiken. Bovendien heeft het publiek het goed in de gaten als in een overtuigingspoging zwak wordt geargumenteerd en laat het zich niet zomaar overtuigen door argumenten die niet aan de kwaliteitseisen voldoen. Al blijft het goed opletten bij veronderstelde autoriteiten.

Kader 1 | Het onderzoeksprogramma ‘De kwaliteit van pragmatische argumenten’

‘De kwaliteit van pragmatische argumenten’ is een door nwo gesubsidieerd onderzoeksprogramma. Het programma bestaat uit twee projecten die aan de Radboud Universiteit Nijmegen zijn uitgevoerd. Het ene project, getiteld ‘Argumentkwaliteit en waarschijnlijkheidsclaims’, heeft geresulteerd in Ester Šorms proefschrift The good, the bad and the persuasive. Normative quality and actual persuasiveness of arguments from authority, arguments from cause to effect and arguments from example. Het andere project onder de noemer ‘Argumentkwaliteit en wenselijkheidsclaims’, heeft Rian Timmers gerapporteerd in een tweede proefschrift, dat binnenkort verschijnt. Hans Hoeken en Peter Jan Schellens, begeleiders van beide projecten, werken momenteel aan een monografie waarin de resultaten van beide projecten worden geïntegreerd.

Verschillen tussen autoriteitsargumenten

Een opvallend resultaat van het experimentele onderzoek was dat een sterk autoriteitsargument wel overtuigender is dan een argument op basis van een onbetrouwbare bron, maar even overtuigend is als een argument op basis van een bron die minder gekwalificeerd is of een minder relevant expertisegebied heeft. De autoriteitsargumenten in het experiment zagen er als volgt uit:

Sterk (voldoet aan alle criteria):
Dr. Karin Heimnitz, gepromoveerd op problemen bij pasgeboren kinderen, zegt dat zwangere vrouwen die hun cholesterolgehalte verlagen minder kans hebben op vroeggeboorte.

Zwak (minder gekwalificeerd):
Karin Heimnitz, student verloskunde aan de Hogeschool Utrecht, zegt dat zwangere vrouwen die hun cholesterolgehalte verlagen minder kans hebben op vroeggeboorte.

Zwak (minder relevant expertisegebied):
Dr. Karin Heimnitz, gepromoveerd op aandoeningen van het zenuwstelsel, zegt dat zwangere vrouwen die hun cholesterolgehalte verlagen minder kans hebben op vroeggeboorte.

Zwak (minder betrouwbaar):
Dr. Karin Heimnitz, gepromoveerd op problemen bij pasgeboren kinderen en nu werkzaam bij het Becel Institute, zegt dat zwangere vrouwen die hun cholesterolgehalte verlagen minder kans hebben op vroeggeboorte.

De autoriteitsargumenten die in het experiment gepresenteerd werden, varieerden tussen de deelnemers, maar het standpunt was telkens gelijk. Dat luidde: zwangere vrouwen die hun cholesterolgehalte verlagen, lopen daardoor minder risico om een te vroeg geboren kind te baren.

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 2 van 2010