Patchwriting: ook professionele schrijvers knippen en plakken

Plagiaat is een veelbesproken thema. Recentelijk nog werden Duitse ministers en Nederlandse toponderzoekers ontheven uit functies, op non-actief gesteld, of op z’n minst flink aan de schandpaal genageld na onthullingen over plagiaat in proefschriften en publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. De media lusten er wel pap van.
Instellingen voor hoger onderwijs hanteren steeds nadrukkelijker een plagiaatbeleid, gericht op het bestraffen van studenten die tegen de lamp lopen bij het inleveren van (gedeeltelijk) gekopieerd werk. Het duidelijk en eerlijk vermelden van gebruikte bronnen en het netjes citeren en parafraseren gaat niet alle studenten in het hoger onderwijs even gemakkelijk af, en blijkbaar maken ook professionals zich weleens schuldig aan plagiaat. De heersende gedachte is dat plagiaat moet worden bestraft.
Tegelijkertijd wordt van schrijvers van wetenschappelijke teksten verwacht dat ze voortbouwen op wat eerder onderzoek heeft opgeleverd aan resultaten en inzichten. Volgens het online ‘Handboek Academische Communicatieve Vaardigheden’ van de Rijksuniversiteit Groningen verankert een schrijver op die manier zijn eigen onderzoek in de context van het vakgebied en toont hij respect voor het werk van anderen. Ook kan een schrijver resultaten en inzichten uit ander onderzoek inzetten als argument in de redeneerlijn. Doet hij dat niet met zorgvuldige verwijzingen, dan pleegt hij dus plagiaat; een onderwerp dat in veel handboeken en (online) gidsen voor academisch schrijven uitvoerig wordt behandeld (bijvoorbeeld: Online Writing Center Purdue University, bovengenoemde Nederlandse website, en de Publication Manual of the American Psychological Association).

Drie vormen van plagiaat

Rebecca More Howard, coördinator van een Amerikaans National Citation Project, onderscheidt drie vormen van plagiaat. In volgorde van afnemende ernst:
valsspelen (het werk van een ander presenteren als dat van jezelf), non-attributie (passages kopiëren zonder citaat-weergave en bronvermelding), en patchwriting (Howard, 1993; 1995). Van patchwriting is sprake wanneer een schrijver zinnen of zinsdelen uit een brontekst deels letterlijk overneemt en deels weergeeft in eigen bewoordingen, veelal met verwijzing naar de bron, maar zonder aanhalingstekens te gebruiken, en met minimale wijzigingen ten opzichte van de originele tekst.

Patchwriting wordt veel besproken in de onderzoeksliteratuur over academisch schrijven. In die literatuur gaat de aandacht exclusief uit naar toepassing van deze strategie door studenten. Daarbij worden uiteenlopende motieven genoemd, variërend van moedwillige intentie om te misleiden tot meer positieve perspectieven (Howard, 1993, 1995; Pecorari, 2003, 2008). Vanuit een positief perspectief kunnen we patchwriting beschouwen als een poging van de schrijver om te integreren in de academische ‘discourse community’ en daarbij de taal en terminologie van die gemeenschap over te nemen.
Ook kunnen we het fenomeen duiden als een poging om grip te krijgen op complexe stof uit een brontekst (Howard, 1993, 1995). Onderzoek van Howard in bovengenoemd National Citation Project toonde aan dat studenten vooral moeite hebben met het begrijpen en correct samenvatten van bronteksten (2010). Volgens Howard moeten we patchwriting niet classificeren als een vorm van plagiaat, maar zouden we het fenomeen eerder moeten benaderen als een noodzakelijke fase op de weg naar professioneel schrijverschap. Deze visie impliceert dat deze vorm van brongebruik alleen in teksten van beginnende schrijvers te vinden zou zijn, en nooit in professionele teksten. Professionele schrijvers zijn die fase in hun ontwikkeling immers gepasseerd.

Een ander aspect van patchwriting is dat het voorkomen ervan sterk bepaald kan zijn door de culturele achtergrond van de schrijver (Bloch, 2012, Matalene, 1985). Zo is er een onderscheid tussen westerse en niet-westerse culturen in het gebruik van bronnen. Die verschillen uiten zich in verschillende visies op eigenaarschap. Zo wordt kopieergedrag in sommige niet-westerse culturen gezien als een uiting van respect voor een auteur (Amsberry, 2010). Plagiaat komt veel voor in het werk van Chinese studenten die – in de lijn van de Chinese onderwijstraditie – hebben geleerd om modellen te imiteren en passages uit het hoofd te leren (Bloch, 2012, Chou, 2010, Shei 2005). Vanuit een westers perspectief, waarin creativiteit en originaliteit worden gewaardeerd, wordt deze culturele gewoonte beschouwd als een ongewenste strategie.

Corpus-gebaseerd onderzoek

Er zijn weinig systematische, corpus-gebaseerde studies gewijd aan dit thema. Het onderzoek dát er is, richt zich op studentschrijvers en kent een overwegend kwalitatieve benadering. Om na te gaan of ook professionele academische schrijvers aan patchwriting doen, en of hun patchwriting-gewoontes gerelateerd zijn aan hun culturele achtergrond, voerden wij een corpus-gebaseerd onderzoek uit naar de mate waarin dit fenomeen zich voordoet bij professionele schrijvers, en onderzochten we de concrete patchwritingstrategieën; een eveneens nog onontgonnen terrein. We onderzochten in totaal 60 (in het Engels geschreven) artikelen van professionele onderzoekers, gepubliceerd in prestigieuze internationale tijdschriften (doelteksten) en 738 bronteksten op het terrein van de linguïstiek. Van deze doelteksten waren er 30 geschreven door Chinese auteurs, werkzaam aan Chinese universiteiten; de andere 30 door Amerikaanse auteurs, gelieerd aan universiteiten in de VS.

Allereerst voerden we een geautomatiseerde analyse uit met een zelf ontwikkeld programma – PatchCatcher – dat doel- en bronteksten vergeleek en alle overlap van acht of meer woorden detecteerde. Op basis van deze analyse werden de meest basale patchwriting-strategieën gedetecteerd: woord-voor-woord kopie en kopie waarbij enkele woorden zijn vervangen door een synoniem of een andere vorm van hetzelfde woord. Alle gevonden potentiële patches werden handmatig gecheckt; correcte citaten en patches die bestonden uit weergave van namen, jaartallen en bijvoorbeeld namen van instellingen werden verwijderd. Daarop volgde een handmatige analyse, gericht op het vaststellen van meer geavanceerde patchwriting-strategieën (grammaticale wijziging, syntactische wijziging, parafrase, en een mix van syntactische wijziging en parafrase). Daarbij werden passages uit de doeltekst vergeleken met de brontekst (zie Curçic e.a., te verschijnen, voor een uitgebreidere onderzoeksrapportage).

Professionele schrijvers doen het ook

De analyses leveren het bewijs dat professionele schrijvers die wetenschappelijke artikelen publiceren in prestigieuze internationale tijdschriften wel degelijk patchwriting-strategieën toepassen. Deze manier van omgaan met bronnen is niet uniek voor beginnende studentschrijvers. In totaal vonden we 192 patches in de professionele teksten, waarvan 158 in teksten van Chinese auteurs en 34 in teksten van Amerikaanse auteurs. De analyse toonde een sterke voorkeur voor bepaalde strategieën: beide groepen schrijvers gebruikten significant vaker complexe strategieën (parafrase of een mix van parafrase en syntactische wijzigingen dan simpele strategieën (grammaticale wijzigingen op woordniveau of enkel syntactische veranderingen).

Een voorbeeld van zo’n complexe strategie, waarbij de schrijver delen van de zin letterlijk heeft overgenomen en delen heeft geherformuleerd in een mix van parafrase en syntactische verandering:

Doeltekst (Chinese auteur):
Self-reporting is sometimes viewed as suspect because of possible bias towards giving a socially desirable response, i.e. a tendency to answer in the way the subject thinks the researcher would like.
Brontekst:
Self-report is sometimes viewed as suspect because of possible social desirability response bias, i.e. a tendency to answer in the way the subject thinks the researcher would like.

Deze bevindingen doen twijfel rijzen over de breed gedragen opvatting dat alleen onervaren schrijvers neigen tot patchwriting. Aangezien deze visie overheerst in de didactische en onderzoeksliteratuur, is het niet verrassend dat eerder onderzoek exclusief gericht was op studentteksten en niet op professionele teksten. Het feit dat studenten niet de enigen zijn die aan patchwriting doen, roept de vraag op of we dit fenomeen moeten blijven beschouwen als onderdeel van het leerproces van studenten. Het is aannemelijker te veronderstellen dat het simpelweg een strategie is die schrijvers toepassen, ongeacht hun ervaringsniveau.
Overigens laten de posities van de gevonden patches ten opzichte van de referenties in deze studie zien dat de meeste schrijvers de gebruikte bronnen wel degelijk erkennen: hun patchwritinggedrag wijst niet op doelbewuste gerichtheid op misleiding. De schrijvers falen echter in hun omgang met andermans gedachtegoed, door incorrecte en onvolledige (maar vaak wel creatieve) manieren van citeren en parafraseren. Wat verder onderzocht zou moeten worden, is of deze twee groepen verschillen in de mate waarin ze deze strategieën toepassen. Het grote verschil in de mate waarin Chinese en Amerikaanse schrijvers patchwriting toepassen in hun (Engelse) teksten, zal zeker te maken hebben met verschillen in culturele achtergrond, (en dus) met verschillen in onderwijs-leerstrategieën, maar mogelijk ook met verschillen in de beheersing van het Engels. Verder onderzoek is nodig om dergelijke invloeden te bepalen.

Aan de schandpaal?

Wellicht laten onze analyses slechts het topje van de ijsberg zien. In het onderzoek zijn alleen patches van acht of meer woorden meegenomen. En niet alle door de auteurs gebruikte bronnen konden in dit onderzoek worden betrokken (omdat niet alle bronnen beschikbaar waren, of niet beschikbaar in een analyseerbaar format). Waarschijnlijk bieden de resultaten daardoor een conservatieve schatting van de frequentie van patchwriting. Meer systematisch tekst-gebaseerd onderzoek is nodig, in combinatie met kwalitatief onderzoek, om teksten van professionele schrijvers met studentteksten
te vergelijken, evenals teksten uit verschillende culturele groepen.

Daarbij kan de aandacht uitgaan naar de motieven voor patchwriting. Mogelijk is er tussen schrijvers sprake van verschillen in intentie of bewustzijn. Terwijl sommige schrijvers zich mogelijk volledig bewust zijn van de onaanvaardbaarheid van deze vorm van brongebruik, kunnen anderen het kopiëren van zinnen als acceptabel beschouwen. Het is ook denkbaar dat schrijvers een precieze weergave van ideeën van anderen belangrijker vinden dan het bedenken van alternatieve verwoordingen. En in bepaalde gevallen zijn alternatieve verwoordingen wellicht niet voor de hand liggend.
De resultaten van nader onderzoek kunnen docenten in het hoger onderwijs – en ook functionarissen op managementniveau – mogelijkerwijs doen inzien dat het exclusief afstraffen van plagiaat weinig op zal leveren. Een didactische benadering, met aandacht voor motieven voor patchwriting en plagiaat, met oefening en feedback, en onderkenning van de culturele achtergronden van verschillen in schrijfgedrag, biedt een grotere kans op succes. Als we ervan uitgaan dat patchwriting een – deels cultureel bepaalde – algemeen voorkomende praktijk is, moeten we ons misschien gaan afvragen in hoeverre universitaire instellingen en de media professionele schrijvers die in bepaalde mate kopiëren uit andermans werk, aan de schandpaal willen blijven nagelen.

Literatuur

  • Bloch, J. (2012). ‘Plagiarism, intellectual property, and the teaching of L2 writing’. Multilingual Matters Ltd.
  • Boychev, G. & Curçic, M. (2012), ‘Patchwriting in professional and student texts’. Ongepubliceerd rapport, eindproduct mastercursus Writing: Context, Process, Text. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen.
  • Curçic, M., Boychev, G., De Glopper, C.M. & Van Kruiningen, J.F. (te verschijnen). ‘Patchwriting in professional academic writing by American and Chinese authors’.
  • Chou, I. (2010). ‘Is plagiarism a culture product: The voice of a Chinese-speaking ELL student’.The International Journal - Language, Society and Culture, 31, 37-41.
  • Handboek Academische Communicatieve Vaardigheden: http://www.rug.nl/education/other-studyopportunities/hcv/. Geraadpleegd op 28-03-2014.
  • Howard, R.M. (1993). ‘A plagiarism pentimento’. Journal of Teaching Writing, 11(3), 233-246.
  • Howard, R.M. (1995). ‘Plagiarisms, authorships, and the academic death penalty’. College English, 57(7), 788-806.
  • Howard, R.M., Serviss, T., & Rodrigue, T.K. (2010). ‘Writing from sources, writing from sentences’. Writing and Pedagogy, 2(2), 177-192.
  • Matalene, C. (1985). Contrastive rhetoric: ‘An American writing teacher in China’. College English, 47(8), 789-808.
  • Pecorari, D. (2003). ‘Good and original: Plagiarism and patchwriting in academic second language writing’. Journal of Second Language Writing, 12, 317-345.
  • Pecorari, D. (2008). ‘Academic Writing and Plagiarism: A Linguistic Analysis’. London: Continuum.
  • Publication Manual of the American Psychological Association (APA), 6e editie (2009). Washington, DC: American Psychological Association.
  • Purdue Online Writing Lab: owl.english.purdue.edu. Geraadpleegd op 28-03-2014.
  • Shei, C. (2005). Plagiarism, Chinese learners and Western convention. Taiwan Journal of TESOL, 2(1), 97-113.

Van patchwriting is sprake wanneer:
• een schrijver zinnen of zinsdelen uit een brontekst deels letterlijk overneemt en deels weergeeft in eigen bewoordingen,
waarbij hij in die eigen bewoordingen heel dicht bij het origineel blijft;
• geen aanhalingstekens of cursivering gebruikt om het citaatgedeelte te markeren;
• maar (veelal) wel een verwijzing opneemt naar de gebruikte bron.

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 3 van 2014