Het verhaal van agent en verdachte

Politieverhoor proces-verbaal Tekstblad Tessa van CharldorpIn Nederland maakt men tijdens het verdachtenverhoor op de computer een proces-verbaal op. In het wetboek staat dat een proces-verbaal zo veel mogelijk in de eigen woorden van de verdachte moet worden opgeschreven. Gebeurt dit eigenlijk wel? Uit onderzoek blijkt dat processen-verbaal geconstrueerd worden door verdachte én agent.

Door Tessa van Charldorp.

Het doel van een verhoor voor de agent is waarheidsvinding: wat is er gebeurd? De agent zoekt naar de waarheid en wil weten of de verdachte schuldig is. Maar de verdachte – als hij schuldig is – zal dit uiteraard niet altijd erkennen. Daarnaast heeft de politie de taak om het verhaal van de verdachte zo veel mogelijk in de eigen woorden van de verdachte op papier te zetten. Dit doet de agent door middel van het opstellen van een proces-verbaal op de computer terwijl hij aan het verhoren is.

Hoe gaat een verhoor eigenlijk?

Voor mijn promotieonderzoek liep ik mee met de politie en heb ik onder meer vijftien verhoren bijgewoond en zelf opgenomen. Deze verhoren bestaan uit verschillende fasen. Als de verdachte naar de verhoorkamer wordt gebracht, stellen de agent en de verdachte zich aan elkaar voor en vindt er ‘social talk’ plaats. Nadat aan de verdachte verteld is dat hij of zij niet tot antwoorden is verplicht, wordt er op de computer een formulier ingevuld. Deze fase wordt vaak gevolgd door een sociaal verhoor dat gaat over de sociale omstandigheden van een verdachte. Hierna volgt het zakelijke verhoor, dat gaat over de zaak waarvoor de verdachte is aangehouden. Aan het einde van het verhoor print de agent het proces-verbaal en mag de verdachte dit doorlezen en vervolgens ondertekenen. Het proces-verbaal is een officieel document dat gebruikt kan worden als bewijsmiddel door de officier van justitie, de advocaat en de rechters in de rechtbank.

Eigen woorden van de verdachte?

Omdat het proces-verbaal een rol speelt in de toekomst van de verdachte, is het belangrijk dat het proces-verbaal een weergave is van de eigen woorden van de verdachte. Maar is dit wel zo? Hoewel de verdachte een grote rol speelt in het vertellen van zijn eigen verhaal, blijkt uit mijn promotieonderzoek dat de processen-verbaal een verhaal vertellen van verdachte en agent. Het verhaal wordt bijvoorbeeld opgeschreven aan de hand van de vragen van de agent. Daarnaast bevat het proces-verbaal deels woorden van de agent en is het geschreven voor het toekomstige juridische publiek. Ook bepaalt de agent de agenda van het gesprek en daarmee de structuur van het proces-verbaal. Hoewel verhalen in eerste instantie worden uitgelokt door de agent, varieert het onder agenten hoe het verdere verhaal tot stand komt.

Sommige agenten laten de verdachten een verhaal vertellen waarin alleen maar bevestiging wordt gegeven door middel van bijvoorbeeld ‘ja’s’ of ‘oké’s.’

Verdachten worden hierdoor aangemoedigd om een langer verhaal te vertellen over wat er is gebeurd. Andere agenten onderbreken de verdachte al snel wanneer hij begint met het vertellen van zijn verhaal. De agent stuurt de verdachte in een bepaalde richting door het stellen van vragen, door antwoorden als ‘goed’ of ‘niet goed’ te benoemen, en door het aansporen van het vertellen van de ‘correcte’ versie – de versie die de agent al eerder heeft gehoord van bijvoorbeeld een aangever of een getuige.

Een derde manier van verhalen vertellen, is wanneer de agent het verhaal oplegt. De agent vertelt de verdachte dan bijvoorbeeld wat er heeft plaatsgevonden en welk aandeel de verdachte hierin heeft. De agent gebruikt dan bijvoorbeeld ja/neevragen die de verdachte bevestigt, of niet. Zulk soort ja/nee-vragen zijn invloedrijk omdat ze het antwoord al vooronderstellen (zie Raymond, 2003) en ze de verdachte weinig ruimte laten om iets anders te zeggen.

Door het stellen van aanvullende vragen, door interrupties of omdat de agent zelf het verhaal vertelt (of een combinatie van deze strategieën), construeren en co-construeren de agenten het verhaal aan de hand van hun eigen structuur en chronologie. Zo zien we allerlei transformaties van verhoor naar proces-verbaal.

Typen en praten tegelijk

De agent heeft ook geen makkelijke taak tijdens het verhoren. Hij is op zoek naar de waarheid, terwijl de verdachte dit niet per se hoeft te vertellen. Daarnaast is de agent aan het ondervragen, luisteren en typen. Het document dat hij of zij moet opstellen tijdens het verhoor, zal straks door meerdere mensen in het juridische proces gelezen worden en kan worden gebruikt als bewijsmiddel. Kan de agent wel zoveel dingen tegelijk op goede wijze uitvoeren? Over het algemeen kunnen agenten hun aandacht goed verdelen tussen typen en praten. Verdachten en agenten oriënteren zich op het typen door de activiteiten veelal als opeenvolgende en separate activiteiten te beschouwen. Het komt ook voor dat typen en praten in overlap met elkaar plaatsvinden. Overlap komt voor wanneer de antwoorden voorspelbaar zijn, de typegeluiden kort zijn, of als de agent hardop voorleest wat hij op dat moment aan het typen is. In het algemeen hebben agenten hier geen moeite mee. Ze laten dan ook zien dat ze goed zijn in multitasking.

Typen als controlerende factor

Typen kan ook een andere rol hebben in het verhoor. Gedurende het sociale en zakelijke verhoor kan typen een structurerende rol spelen. Door tijdens het praten te typen en door de beurt te houden door middel van het typen, kunnen agenten niet alleen controle uitoefenen op de interactie, maar ook op de inhoud en de structuur van het proces-verbaal. Verdachten houden hier rekening mee en antwoorden ‘ten behoeve van het typen’. Typen vergroot daarmee de asymmetrische rol die er al bestond tussen de verdachte en agent. Daarnaast laat het typen van de agent zien dat het antwoord ‘opschrijfbaar’ is en soms ook of een antwoord voorspelbaar is. In kader 1 laat ik een kort voorbeeld zien van een stukje interactie tussen politieagent (P) en verdachte (V).

In dit voorbeeld zien we dat de agente vier vragen stelt. Dit zien we aan de hand van rijzende intonatie, woordvolgorde, vraagwoorden, en ook aan de hand van de antwoorden van de verdachte. Deze vier opeenvolgende vraag-antwoordparen zijn typisch voor een institutionele setting: de expert stelt alle vragen en de leek geeft de antwoorden. De agente krijgt eerst een ontkennend antwoord: ‘nee’ en daarna nog een: ‘weet ik ook niet.’ De vragen gaan door totdat de agente informatie heeft waar ze genoegen mee neemt. Ze vraagt de verdachte hoe oud de jongen ‘ongeveer’ is. Als de verdachte dan inschat dat de jongen dezelfde leeftijd heeft als hijzelf, zien we dat de agente een preciezere vorm – negentien – laat bevestigen. Als de verdachte dit bevestigt, zien we dat ze dit als voldoende informatie beschouwt. Dit weten we omdat de agente begint met typen (getranscribeerd met x’jes). Met andere woorden, hoe typen en praten georganiseerd zijn, laat ons zien welke informatie van het verhaal van de verdachte belangrijk is voor het proces-verbaal.

Van verhoor naar proces-verbaal

We kunnen het voorbeeld uit het kader ook gebruiken om een concreet voorbeeld te geven van de transformatie van verhoor naar proces-verbaal. Aan de hand van dit stukje interactie wordt het volgende opgeschreven in het proces-verbaal: ‘ik denk dat hij 19 jaar oud is.’ We zien dan dat het verhaal heel letterlijk ‘in de woorden van de verdachte’ wordt opgeschreven doordat de agente de ik-vorm gebruikt. Dat de agente het perspectief van de verdachte aanneemt, is gebruikelijk in processen-verbaal. We zien ook meteen een aantal verschillen. We zien dat er een nette, volledige, grammaticaal correcte zin is opgeschreven terwijl de verdachte alleen maar zei: ‘weet ik ook niet’, ‘schat mijn leeftijd in’ en ‘ja, zoiets’ (zie kader 2). Het vage dat door de verdachte wordt weergegeven met ‘inschatten’ en ‘zoiets’ is niet meer terug te lezen in de zin in het proces-verbaal. Het ontkennende antwoord op de vraag wat de achternaam van de jongen was, komt niet in het proces-verbaal terecht. We zien hier dus dat maar een kleine selectie van het mondelinge verhaal van de verdachte uiteindelijk op papier komt in een goed gestructureerde volgorde en grammaticaal correcte vorm.

Wat mijn promotieonderzoek verder laat zien, is dat feiten zoals namen van mensen, locaties en tijdstippen wél vaak in het procesverbaal terechtkomen. Ook wordt het geschreven verhaal in chronologische volgorde weergegeven. Het verhaal is kloppend, logisch en gestructureerd en gaat over ‘wat er is gebeurd’. Hiermee wordt verondersteld dát er iets is gebeurd. Dat de agenten de verhalen reconstrueren – elementen weglaten en toevoegen – laat zien dat dit nodig is door, of inherent aan, de institutie waarin de gesprekken plaatsvinden. Het resultaat is dat het verhaal op papier niet enkel het verhaal van de verdachte is. Dit zou op een transparantere manier weergegeven moeten worden in het proces-verbaal, omdat dit document een grote rol kan spelen in de toekomst van een verdachte. 

Referenties

Raymond, G. (2003). Grammar and social organization: yes/no type interrogatives and the structure of responding. American sociological review, 68, 939-967.

Van Charldorp, T.C. (2011). From police interrogation to police record. Uitgeverij Boxpress, Oisterwijk.

Meer lezen?

Wil je meer lezen over teksten, communicatie en taal? Neem dan een abonnement op Tekstblad of bestel een van onze losse nummers.

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 1 van 2012