What is this thing called style?

Wat is stijl? Iedereen weet globaal wat met die term wordt bedoeld. Stijl kan een tekst tot een succes maken of tot een faliekante mislukking. Maar kun je precies aanwijzen wat een toespraak ‘boeiend’ maakt, een column ‘scherp’ en een roman ‘sober’? Aan de Universiteit Leiden brengen onderzoekers het antwoord op die vragen dichterbij. Het wetenschappelijk onderzoek naar stijl ontgroeit daarmee de Nederlandse kinderschoenen. Schrijvers – van welk type dan ook – kunnen daarvan profiteren.

Over een paar weken treedt Thomas Rosenboom (1956) aan als nieuwe gastschrijver aan de Universiteit Leiden. Van 1 september tot eind november gaat de auteur van bestsellers als Gewassen vlees, Publieke werken en De nieuwe man een werkcollege creatief schrijven geven. Studenten in Leiden kunnen in hun handen wrijven. Want de universiteit heeft met Rosenboom een auteur in huis gehaald die alom bekend staat als een ‘meesterlijk stilist’. Iemand die schrijft ‘als een vorst die zijn onderdanen af en toe een onderdanige knipoog geeft’, aldus criticus Arjen Fortuin over Zoete mond, Rosenbooms laatste roman.

Rosenboom gebruikt in zijn boeken ongewone woorden als lief heden, voortijlen, borstig, heumig en spijts. Dat valt op. In recensies kan hij dan ook steevast rekenen op aandacht voor zijn stijl. Die wordt gekarakteriseerd als ‘precieus’, ‘rijk’, ‘eigenzinnig’ en ‘onnavolgbaar’. Het zijn impressionistische typeringen die je vaak aantreft in beschouwingen over schrijvers. Nadere toelichting, laat staan onderbouwing, ontbreekt. En dat is niet alleen bij literaire teksten zo. Wat een toespraak, essay of betoog bijvoorbeeld ‘overtuigend’, ‘vlammend’ of juist ‘gortdroog’ maakt, is minstens zo onduidelijk.

Maar daar komt verandering in. Aan dezelfde Leidse universiteit werkt vanaf 1 september 2007 een team wetenschappers aan een fundamenteel onderzoek naar stijl. Onderzoeksleider prof. dr. Arie Verhagen (taalkunde) kreeg daarvoor in 2006 een subsidie van NWO van € 500.000,–. Het onderzoeksprogramma duurt vijf jaar en is dus nu net over de helft. Er werken zowel taalkundigen als letterkundigen en taalbeheersers aan mee. Een interdisciplinaire aanpak die uniek is in het toch tamelijk versplinterde wereldje van de neerlandistiek. ‘
Stijl vindt iedereen belangrijk,’ zegt Verhagen in zijn werkkamer in Leiden. ‘Of het nu gaat om literatuur, columns, krantenartikelen of toespraken. Maar de wetenschappelijke fundering van stijloordelen laat zacht gezegd te wensen over, of is zelfs helemaal afwezig. Oordelen over stijl zijn ongrijpbaar. Een tekst wordt “pittig” of “fris” genoemd, maar vervolgens is het moeilijk om aan te wijzen waar ‘m dat in zit. Of iedereen wijst iets anders aan.’

Het Leidse stijlteam
Vlnr Ninke Stukker, Arie Verhagen, Suzanne Fagel en Maarten van Leeuwen

Fundering

Het gebrek aan fundering van stijloordelen stoort Verhagen, al jaren. ‘We kunnen studenten precies het verschil tussen de lijdende en bedrijvende vorm uitleggen, maar op stijlgebied heerst de Grote Vaagheid.’ Toen hij in 1998 in Leiden als hoogleraar taalkunde werd benoemd, zag hij de kans schoon om die vaagheid te lijf te gaan en daarbij interessante dwarsverbanden te leggen tussen de drie uiteengedreven deeldisciplines van de neerlandistiek: taalkunde, letterkunde en taalbeheersing. Een belangrijk wapenfeit was het artikel ‘Over stijl’, dat hij in 2001 publiceerde samen met zijn letterkundige collega Ton Anbeek.
In dat artikel staan de basisideeën die ook ten grondslag liggen aan het lopende onderzoeksprogramma. Arie Verhagen: ‘Stijl is in onze opvatting niet iets wat je moet bekijken tegen de achtergrond van een veronderstelde norm, een gemiddelde, zoals “algemeen taalgebruik”. Wij kiezen voor iets anders: we zien stijl als de keuzes die een schrijver maakt uit mogelijke formuleringen. We vergelijken die keuzes – de stijl van de ene tekst – met de keuzes in een andere tekst. Die vergelijking brengt wezenlijke dingen aan het licht. Voor zo’n vergelijking heb je wel een helder analyseapparaat nodig. Dat ontwikkelen we nu.’

In het artikel ‘Over stijl’ wordt zo de ‘sobere’ schrijfstijl van J.J. Voskuil (Het bureau) vergeleken met de ‘bloemrijke’ stijl van A.F.Th. van der Heijden (De tandeloze tijd). Bij die vergelijking wordt niet alleen naar frequenties gekeken (‘deze auteur gebruikt veel adjectieven’), maar ook naar de vraag of die frequenties iets wezenlijks zeggen over de inhoud. De vergelijking levert boeiende resultaten op en laat conclusies toe over een verband tussen kenmerkende aspecten van het taalgebruik en de inhoud van de tekst.

Analyseapparaat

Het doel van het huidige Leidse onderzoeksproject zou je in ‘t kort zo kunnen samenvatten: een betere fundering aanbrengen onder de oordelen die worden geveld over de stijl van uiteenlopende soorten teksten, aan de hand van een adequaat analyseapparaat. En vervolgens: laten zien hoe de stijl van een tekst wezenlijk bijdraagt aan de inhoud of impact ervan. Over een paar jaar verschijnen twee proefschriften en een handboek waarin goed te vol gen zal zijn hoe dat gaat.
Zo onderzoekt promovendus Maarten van Leeuwen de stijl van speeches. In Tekstblad 2009/2 gaf hij al een mooi voorproefje. Daar vergeleek hij de spreekstijl van Geert Wilders met die van Ella Vogelaar. Uit een grondige vergelijkende analyse van speeches van beide politici komt – onder andere – naar voren dat Wilders een bepaald type bijzin veel minder gebruikt dan Vogelaar. Vogelaar sprak in zinnen als: Wij kunnen constateren dat onze samenleving snel verandert. Wilders zegt: De Koran is levensgevaarlijk. Daarmee presenteert Vogelaar haar boodschap over integratie als haar perspectief, terwijl Wilders zijn visie voor het voetlicht brengt als feiten. Volgens Van Leeuwen draagt Wilders’ directe manier van spreken bij aan de stelligheid van zijn betoog. Daar komt bij dat hij formuleringen steeds herhaalt. Hij ‘drilt zijn boodschap erin’. Vogelaar daarentegen komt veel minder stellig voor de dag. Ze maakt haar zinnen vaak nodeloos omslachtig.
In zijn proefschrift onderzoekt Van Leeuwen allerlei soorten stijlverschijnselen die je in toespraken aantreft, en het effect ervan. Dat gaat verder dan het al of niet formuleren in hoofdzinnen of ondergeschikte bijzinnen. Hij bekijkt bijvoorbeeld ook wat er gebeurt als een spreker zegt dat een bepaalde regeringscoalitie niet onmogelijk is (in plaats van mogelijk). Of wat het effect is als iemand opmerkt dat hij een opponent niet wil neerzetten als een neonazi, terwijl hij het daarmee toch wel lekker even gezegd heeft. Van Leeuwen analyseert speeches aan de hand van een checklist. Die is gebaseerd op een voorbeeld uit een klassieker uit de rijke Angelsaksische wetenschappelijke literatuur over stijl: het boek Style in Fiction van Geoffrey Leech en Mick Short (1981, herdruk 2007). Dat levert veel op, zegt Van Leeuwen: ‘In stijlanalyses zoomen onderzoekers vaak in op woordkeuze. Maar als je zo’n checklist erbij pakt, zie je dat ook grammaticale aspecten een grote rol spelen in een toespraak. Als je de lijst punt voor punt afwerkt, komt van alles naar boven wat je anders over het hoofd zou zien.’

Checklist

Arie Verhagen voegt eraan toe: ‘Die checklist is oorspronkelijk Engels, maar wij ontwikkelen en verfijnen die nu voor het Nederlands. Het is een lijst met zo veel mogelijk aandachtspunten die van belang kunnen zijn voor de stilistische analyse van een tekst, variërend van grammaticale categorieën – zoals soorten hoofdzinnen, bepalingen en dergelijke – en woordgebruik, tot stijlfiguren en soorten coherentierelaties tussen zinnen.’ Met de checklist in de hand kun je de tekst van een toespraak, column of literair fragment dus helemaal ‘afvinken’. Het is te vergelijken met wat een arts doet die een diagnose stelt bij een patiënt.
Is die checklist volledig? ‘Nee,’ erkent Verhagen. ‘Maar dat is geen reden om ’m niet te gebruiken. Het is een systematisch heuristisch middel dat de blik scherpt, ook op dingen waarop je anders niet let.’ Het pluspunt van zo’n systematische benadering: de Grote Vaagheid verdwijnt. ‘Je kunt veel preciezer zijn in je analyse en interpretatie. Je baseert je analyse op taalelementen die in de tekst concreet aanwijsbaar zijn. Over die analyse – toepasbaar op alle soorten teksten – kun je vervolgens op goede gronden discussiëren. Het gebruik van de lijst leidt tot heldere stilistische karakteriseringen.’

Zo gebruikt de letterkundige Suzanne Fagel de checklist om in haar proefschrift – onder meer – een stilistische vergelijking te maken tussen teksten van de ‘gekke’ schrijvers Jan Arends en Maarten Biesheuvel. Arends gebruikt in zijn korte verhaal Het ontbijt opvallend veel korte en heldere zinnen met onpersoonlijke constructies, zoals Het schijnt dat… of Het lijkt erop dat…. Fagel: ‘Daarmee wordt een zekere objectiviteit gesuggereerd, terwijl de weergegeven waarneming juist heel subjectief is. Modale werkwoorden als schijnen en lijken zijn daar verantwoordelijk voor. De subjectiviteit is als het ware vermomd in objectieve constructies. Biesheuvel gebruikt juist weer andere middelen: lange, incoherente zinnen met niet-causale verbanden, en bizarre opsommingen.’

Scherper zicht

Ook bij deze analyse liggen nauwkeurige taalkundige (en andere) observaties dus aan de basis van een beschrijving van de stijl. Daarmee wordt de fundering onder dit soort typeringen en analyses verstevigd. ‘Door de vergelijking krijg je niet alleen scherper zicht,’ zegt Arie Verhagen, ‘maar het helpt ook om je beeld aan te scherpen van wat taalkundige middelen in een tekst doen. Daar heeft de taalkunde ook weer wat aan. Zo werkt dit onderzoek verschillende kanten op: de taalkunde, letterkunde en taalbeheersing kunnen er ook van profiteren.’

Het is er de stijlonderzoekers dus niet om begonnen om de stijl van een persoon, bijvoorbeeld een auteur of een politicus, te typeren. Arie Verhagen: ‘Stijl wordt vaak aan een persoon gekoppeld. En natuurlijk, mensen kunnen een bepaalde persoonlijke stijl hebben. Maar of dat echt zo is, zal moeten worden bewezen aan de hand van een vergelijking met andere teksten of auteurs.’ Suzanne Fagel, die binnenkort een uitvoerig artikel publiceert over De asielzoeker van Arnon Grunberg, beklemtoont hetzelfde: ‘Mijn analyse is erop gericht om aan te tonen welke functie bepaalde stilistische middelen hebben, hoe stijl en thema in die roman samenhangen. Het gaat mij niet om de vraag of die middelen kenmerkend zijn voor de auteur.’ In haar artikel laat Fagel bijvoorbeeld zien hoe Grunbergs gebruik van de tegenwoordige tijd en de vele beschrijvingen van algemeenheden, gewoontes en dergelijke het handelingsverloop in De asielzoeker stilleggen. Daarmee geven ze stilististisch uitdrukking aan het vacuüm waarin Beck, de hoofdpersoon van de roman, leeft.

Causale relaties

Postdoc Ninke Stukker, taalkundige en recent gestart in het project, legt de relatie tussen het letterkundige onderzoek van Suzanne Fagel en het taalbeheersingsonderzoek van Maarten van Leeuwen. Stukker is gespecialiseerd in causale relaties in taal en de uitdrukking daarvan in verschillende contexten, bijvoorbeeld woordjes als daarom, daardoor en dus. In eerder onderzoek stelde ze bijvoorbeeld vast dat journalisten die woordjes in opiniestukken systematisch anders gebruiken dan in nieuwsberichten of reportages. ‘Dat in ons onderzoeksprogramma stijlmiddelen en hun effecten worden beschreven met behulp van taalkundige inzichten, is nieuw voor het Nederlands,’ zegt ze. ‘Om nog een stap verder te zetten, zou het goed zijn om in de toekomst meer experimenteel onderzoek te doen. Dat wil zeggen: kijken of de effecten die wij op grond van taalkundige inzichten veronderstellen, ook zo optreden in de hoofden van de mensen die teksten lezen of toespraken beluisteren. Overigens is er al veel effectonderzoek gedaan waar wij ons onderzoek en analyses mee verbinden.’
Daarnaast werkt Stukker samen met Verhagen aan een boek dat het Leidse stijlonderzoek in 2012 zal afsluiten: Stilistiek van het Nederlands. Het zal een samenvattend antwoord geven op de vraag hoe je met een coherent analysemodel stijlverschijnselen in uiteenlopende teksten kunt analyseren. Er is alle reden om reikhalzend naar dit boek uit te kijken. De achterstand die Nederland heeft ten opzichte van de Angelsaksische wereld (waar stilistiek al decennia wordt beoefend) zal er voor een aanzienlijk deel mee worden ingelopen.

Tussenbalans

Het is een goed moment voor een tussenbalans: wat is na bijna drie jaar Leids stijlonderzoek bereikt? En welke voetangels en klemmen blijken – na een paar jaar – verborgen te liggen in het onderzoeksterrein? Arie Verhagen toont zich redelijk tevreden over de oogst tot nu toe: de Nederlandse versie van de checklist is in ontwikkeling, proefschriften, losse publicaties en het afsluitende boek liggen op koers, en de vakwereld buiten Leiden toont zich intussen dermate geïnteresseerd dat het erop lijkt dat de stilistiek niet meer weg te denken is uit de neerlandistiek. Na 2012 hoopt hij dat er iets ligt waarop anderen kunnen voortbouwen: ‘Een model waaraan andere onderzoekers nieuwe dingen kunnen bijdragen, ook voor de didactiek en de praktijk.’

Voetangels en klemmen zijn er zeker: ‘Die komen altijd vanzelf, als je verder inzoomt op je onderzoeksobject. Je begint bijvoorbeeld met een vergelijking tussen de zinnen van Wilders en Vogelaar. De eerste resultaten zijn veelbelovend. Maar dan begint het pas. Welk type zinnen betrek je in de vergelijking? Alleen bijzinnen die met dat beginnen of ook de zogenoemde beknopte bijzinnen, zoals De minister beloofde om op tijd te komen? Het Nederlands heeft veel van dat soort beknopte constructies. De taalkunde is daar nog niet uit, de stilistiek nog veel minder. En zo gaat het nog wel even door. Die beknopte constructies zouden voor ons wel eens goed bruikbaar kunnen zijn, maar ze zitten nog niet als aparte categorie in onze checklist. Onder andere omdat ze nog niet zijn uitgewerkt op een manier die stilistisch interessant is. Het kan dus best zijn dat wij op dit moment bepaalde relevante verschijnselen in onze analyses missen.’ Dat is geen reden om bij de pakken neer te zitten: zo werkt de wetenschap nu eenmaal. ‘Wij – of anderen – moeten daar verder onderzoek naar doen. We steken graag onze nek uit, anders komen we nooit verder.’

En dan is er de beroepspraktijk. Overal in Nederland zijn professionele schrijvers dagelijks met hun schrijf- of spreekstijl in de weer, hetzij bewust (bijvoorbeeld met het Handboek Stijl van Burger en De Jong op tafel), hetzij onbewust, dat wil zeggen: afgaand op hun intuïties. Het zijn de journalisten, de tekstschrijvers, de columnisten, de (web)redacteuren, de speechschrijvers van politici, de voorlichters, de literaire auteurs, de recensenten en de vele andere tekstprofessionals. Wat hebben zij aan het Leidse stijlonderzoek? Kunnen zij dankzij het werk van de onderzoekers in 2012 bijvoorbeeld beschikken over een gereedschapskist, een pendant van het Handboek Stijl?

Maarten van Leeuwen: ‘Als je mijn boek leest, zul je er geen concrete handleiding in vinden voor het schrijven van speeches. Maar het boek geeft je wel inzicht. Namelijk in de werking van stilistische middelen, in de manier waarop toehoorders een bepaalde kant op worden gestuurd.’ En met die inzichten kunnen bijvoorbeeld speechschrijvers hun voordeel doen.

Suzanne Fagel betwijfelt of beginnende literaire auteurs direct profijt zouden kunnen hebben van het Leidse stijlonderzoek, in concreto van haar dissertatie. ‘Daar zijn andere boeken voor. Het geheim van de schrijver van Renate Dorrestein, bedoeld voor beginnende auteurs, bijvoorbeeld. Dat boek behandelt alle facetten van het tekstontwerp, en niet alleen de stijl. Maar als wij ons werk goed hebben gedaan, kunnen onze proefschriften wel laten zien hoe de intuïtieve stijladviezen van Dorrestein en anderen op taalkundige grondslag gefundeerd zijn. En als ze dat niet zijn, waarom niet en wat de alternatieven zijn.’

Gereedschapskist

Arie Verhagen durft het wel aan om het afsluitende boek Stilistiek van het Nederlands een gereedschapskist te noemen, ‘al is het de grote vraag wat voor soort gereedschapskist.’ ‘Het zal geen boek zijn met een lekkere handleiding erin, geen receptenboek,’ zegt hij. ‘Nee, het is primair een analyse-instrument. Daar kun je overigens wel iets aan hebben in je beroepspraktijk. Bijvoorbeeld als je naar je eigen conceptteksten zit te kijken. Je weet dan: hé, als dit er staat, dan moet ik er rekening mee houden dat het dát effect kan hebben. In het verlengde van het boek denken we ook over een Stijl-wiki, waar neerlandici en andere stijlprofessionals hun stijlanalyses en stijlkwesties kunnen posten. Een wiki is bij uitstek een praktisch instrument. Aan de hand daarvan kun je een vraag beantwoorden als: wil ik deze effecten wel, of heb ik alternatieven?’

In afwachting van Stilistiek van het Nederlands en de dissertaties kunnen studenten en andere belangstellenden voorlopig terecht bij de gastcolleges van Thomas Rosenboom. De kans is groot dat deze ‘meesterlijke stilist’ veel aandacht zal besteden aan stijl. Hoe belangrijk die voor hem is, beschrijft hij in zijn boek Aanvallend spel, waarin hij vier lezingen over schrijven heeft gebundeld. Als jongen las hij het boek Raspoetin van de Duitse schrijver Klabund: ‘Ik las het, volkomen overdonderd door iets waarvan ik het bestaan niet eens kende, maar dat mijn naïviteit onmiddellijk en voorgoed verwoestte: die inwendig zinderende kracht had niets meer van doen met welke eerdere anekdotiek dan ook, ook niet met verrijking van de intrige… nee, het was de stijl, een extreme, niet te negeren stijl die mij wakker schudde uit de sluimering van het voorgaande, neutrale realisme; die stijl gaf de vertelling het labyrintische reliëf van een vingerafdruk, door die stijl wees het boek niet uit naar de werkelijkheid buiten zichzelf, zoals mijn realistische jongensboeken, maar verwees het precies in omgekeerde richting naar de oorsprong diep in zichzelf, naar het pure feit dat het gemaakt was… Hiermee had mijn ontdekking van de stijl zich voltrokken.’

Kader 1 | Het Stylistics of Dutch NWO Research Project

Het Leidse stijlonderzoek loopt van 2007 tot 2012. Behalve de vier geïnterviewden zijn ook prof. Jaap Goedegebuure (letterkunde). prof. Ton van Haaften en dr. Jaap de Jong (beiden taalbeheersing) als begeleiders van de promovendi in het project betrokken.
Verwachte output:
- een checklist waarmee teksten stilistisch kunnen worden geanalyseerd;
- diverse artikelen in tijdschriften;
- lezingen;
- proefschriften van Suzanne Fagel (stijl in letterkunde) en Maarten van Leeuwen (stijl in toespraken);
- afsluitend boek Stilistiek van het Nederlands (Nederlandstalig);
- Stijl-Wiki (waarschijnlijk);
- een groot internationaal congres over stilistiek in Leiden op 16 en 17 juni 2011, met sprekers uit taalkunde en letterkunde, uit buiten- en binnenland. Toegankelijk en interessant voor wetenschappers en professionele schrijvers uit de praktijk.
Website: www.stylistics.leidenuniv.nl (Engelstalig)

Dit artikel verscheen eerder in Tekstblad nummer 2 van 2010