Deze 3 veelgemaakte grammaticafouten kom je dagelijks tegen

28-04-2020

Als taalpurist heb je zelf een feilloos gevoel voor de Nederlandse taal, maar dat geldt tegenwoordig niet voor iedereen. Je weet zelf wel hoe het zit, maar de regels uitleggen is vaak een grotere uitdaging. Daarom zetten we de regels op een rij zodat je anderen precies kan uitleggen hoe het zit!

1. Hun en hen

Hij blijft altijd bij hen of bij hun? Kies je voor hen of hun? Je gebruikt hen op twee verschillende manieren:
- Na een voorzetsel. Bijvoorbeeld: ik geef het boek aan hen. Dus het is ook: Hij blijft altijd bij hen. Een simpel voorbeeld om de regel aan anderen uit te leggen.
- Als lijdend voorwerp: hij ontslaat hen. Heeft iemand moeite met het ontleden van zinnen? Een goede manier om je zin te controleren is de zin lijdend maken. Je verandert ‘hen’ dan in het onderwerp ‘zij’. Probeer of ‘zij worden ontslagen’ een goede zin is. In dit voorbeeld klopt het, dus is ‘hij ontslaat hen’ juist.
Daar tegenover staat dat hun gebruikt wordt bij een meewerkend voorwerp. ‘Ik geef hun het boek’. Hun in deze zin is hetzelfde als ‘Ik geef het boek aan hen’, maar dan zonder voorzetsel. Zo ook ‘Japan is hun te ver’, waarbij hun slaat op ‘volgens hen’.

2. Foutieve samentrekking

Woorden die dezelfde functie hebben mogen samengetrokken worden, waardoor je een kortere zin krijgt. ‘Ik gaf hem een knuffel en een kus.’ Je zegt niet ‘Ik gaf hem een knuffel en ik gaf hem een kus’. Maar samentrekkingen gaan nog wel eens mis, zoals je zelf vast wel eens hebt gezien. ‘Ik heb hem eerst getrakteerd en daarna een cadeau gegeven.’ Het klinkt niet eens gek, maar het is wel een foutieve samentrekking. In het eerste deel is ‘hem’ een lijdend voorwerp en in het tweede deel is ‘hem’ een meewerkend voorwerp. Dat zijn twee verschillende functies, dus mogen ze niet samengetrokken worden. Juist is: Ik heb hem eerst getrakteerd en hem daarna een cadeau gegeven. Als je zegt: ‘Ik heb hem eerst getrakteerd en daarna gefeliciteerd’, is het wel correct. In deze zin is ‘hem’ in beide gevallen een lijdend voorwerp. Misschien snappen anderen aan de hand van deze voorbeelden de taalregel wel.

3. Wat en dat

Ergens naar verwijzen met wat terwijl je met dat moet verwijzen is een bekende taalergernis. Je spreekt over ‘het boek dat’, omdat het boek een onzijdig zelfstandig naamwoord is. Dit geldt ook voor ‘Het nieuws dat je elke dag leest’. Het nieuws is een onzijdig zelfstandig naamwoord. Verwijzen met wat is niet altijd fout. Er zijn 5 uitzonderingen waarmee je met wat verwijst.
1. Na iets, niet of alle: Het is niet iets wat me interesseert.
2. Na een voornaamwoord: Dat wat je niet kent, zal je niet missen.
3. Na een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord: Het allereerste wat ik doe als ik thuiskom, is mijn schoenen uitdoen.
4. Wanneer het terugslaat op de hele zin: Ik vond het een goed boek, wat me verbaast gezien de recensies.
5. Wanneer datgene waar wat opslaat niet genoemd is: Wat hij eet, wil ik ook graag.